(februari 1999, nr.14)
Door Ismene Krishnadath
Belachelijke boetes
Met veel medeleven las ik in de De West van woensdag dat politie-agenten pisnijdig worden door de reacties van verkeersovertreders wanneer zij beboet worden. De boetes zijn namelijk zo belachelijk laag - honderd Surinaamse guldens, (een kwartje Nederlands) voor rijden door rood licht geloof ik, en ook zoiets voor fout parkeren- dat de overtreders het geld met een "keep the change" op tafel smijten.
Persoonlijk vind ik dat je verkeersovertreders zodanig moet beboeten dat ze het nog lang onder de gordel voelen, want als er iets op de wereld is dat mij kan veranderen van een evenwichtig, altijd vriendelijk en uitermate beschaafd wezen in een ordinair schreeuwend viswijf, dan is dat het verkeer wel.
God wat een ruzies heb ik gemaakt. Ik herinner me nog die bodybuilder voor de deur van Fernandes IJzerwaren. Hij had het gewaagd zijn motor zodanig te parkeren dat ik niet weg kon rijden met mijn Fiat. Om doodparkeren maak ik oorlog. Ik vind dat zo ongelooflijk asociaal dat mijn stoppen compleet doorslaan. Als de eigenaar niet snel genoeg komt opdagen, begin ik te rukken te stoten aan het voertuig. Als het verdomde ding op handrem is achtergelaten ben ik er niet vies voor een ruitje in te slaan. Nu ik in alle rust achter mijn computer zit, begrijp ik dat niemand daarvan gediend is. Ook die bodybuilder niet. Toen hij mij dus aan het achterdeel van zijn eigendom zag sjorren, onder het luid uiten van de minst vriendelijke benamingen, sommeerde hij mij daar onmiddellijk mee te stoppen.
Dat was olie op het vuur. Ik ben een meter tweeënzestig, klein dus, en vrij slank, maar absoluut niet bang voor wie dan ook, zeker niet voor grootgebouwde zwarte mannen, met gouden tanden, donkere zonnebrillen en handen als mokerstenen. Daar heb ik er genoeg van in mijn familie. Ik zette dus mijn borst vooruit, liet mijn ogen bliksemen en schreeuwde hem toe hoe fout zijn motor daar stond en dat het mijn goed recht was om het opzij te schuiven, want ik moest weg. Intussen had een kring van omstanders zich genietend van het spektakel om ons heen geschaard. Bodybuilder vond nu dat ik beleefd moest vragen of hij zijn motor wilde opschuiven. Hij had duidelijk niet genoeg psychologisch inzicht om te beseffen dat je zoiets niet kan eisen van iemand wiens adrenalinepeil zijn hoogtepunt heeft overschreden. "Dan blijft het vlak daar," was zijn reactie toen ik brieste dat ik niets verkeerds had gedaan en dat hÍ j weleens zijn excuses mocht aanbieden voor al het ongerief dat hij veroorzaakte. Op dat moment zouden we zeker op de vuist gegaan zijn -ik wilde me op hem storten omdat hij zich met de armen over elkaar tussen mij en het gewraakte voertuig had geplaatst- ware het niet dat een van de omstanders zeer verstandig ingreep en de man verzocht "fu no moeilijk so en fu pot’ a motor pikinso na sé." Dat betekent in het Nederlands "doe niet zo moeilijk en schuif de motor een beetje op." Maar alleen in het Surinaams en met de juiste intonatie heeft het een bedarende uitwerking. Hij, ik geloof dat het een van de ijzerwarenverkopers was, hielp zelfs de motor opschuiven, twee centimeter maar, dat was de enige concessie die bodybuilder wilde doen.
"Stapt u maar in, u komt er wel uit," verzekerde mijn redder me. En werkelijk, op zijn aanwijzingen lukte het me weg te rijden zonder de motor zelfs maar even te schrammen.
Hij zwaaide me lachend na. Wat een prachtig mens!