(december 1998, nr.6)
Door Ismene Krishnadath
Dialoog
De kerstboom staat er. Eigenlijk zetten wij bij ons thuis de kerstboom de avond voor Dietjes verjaardag op, een week voor Kerst, maar dit jaar zijn we meegesleept door de commercie en de media. Ik weet niet wat het is, want eigenlijk is het land in een crisis, maar gelijk na de onafhankelijkheidsviering begonnen de winkels hun kerstdecoraties uit te stallen. Overal lampjes, groene en rode slingers, dikke namaak kerstmannetjes, radio’s met ‘jingle bells’ en elke avond een kerstfilm op de televisie. Daar konden we niet tegenop.
Bovendien steeg de barometer van mijn humeur naar een hoogtepunt toen Dietje dinsdag weer de hele dag naar school mocht. De stakers hebben hun acties in verband met Kerst en Ramadan opgeschort. Bosje mag God en/of/c.q. Allah wel op zijn blote knietjes danken. Hij hoeft in ieder geval niet te vrezen voor een Kerstcoupe en 1999 heeft hij dan ook weer gehaald.
Om even stil te staan bij Bosje – het is goed om af en toe je gedachten te laten gaan over de machtigste man in je land – dat is nou een man die van cachet houdt. Dat zie je zo aan zijn keurig getrimde snor, zijn gouden dasspeld, de eenenvijftig spotjes in zijn nieuwste ontvangstzaal en aan de marmeren wand in zijn werkkamer.
Ik vind Bosje trouwens heel anders dan onze vorige presidenten, ik vind hem zelfs anders dan hemzelf, toen hij de vorige keer president was. Hij denkt groots dit keer.
Misschien komt het omdat hij met de president van de Verenigde Staten heeft gedineerd, weliswaar in een tijd dat iedereen gniffelend naar Clintons gulp keek, maar toch. Dat is geen van zijn voorgangers gelukt. Venetiaan is niet verder gekomen dan handje schudden en met nog vijftig andere presidenten op de foto. Over Ramsewak zullen we maar niet spreken. Die moest op de stoep blijven wachten. Ferrier was de stiefzoon van Oranje en Chin A Sen had het te druk met de revolutie om nog aan iets anders te kunnen denken.
In ieder geval, Bosje denkt groots. Hij bouwt niet een brug, maar twee, hij heeft niet een kantoor, maar wel drie of vier en als hij deelneemt aan een conferentie gaat hij direkt op zoek naar een leidinggevende positie. Voorzitter moet hij zijn of minstens vice voorzitter en als de concurrentie zo groot is dat dat ook niet kan dan moet hij toch wel een key note speaker zijn, want anders komt hij niet.
En praten, dat is Bosjes specialiteit. Een toespraak van vier uren is niets voor hem. Het is duidelijk dat hij televisietraining heeft gehad, want met genoegen kijk je naar zijn mond, zijn wenkbrauwen, zijn ogen, zijn hoofd en zijn handen die voortdurend in beweging zijn. Hij doet niet onder voor de beste nieuwslezers. En als je werkelijk luistert naar wat hij zegt, raak je vanzelf onder de indruk over de magnifieke manier waarop hij niets zegt over de ontelbare significante problemen in het land. Dat brengt me trouwens op het punt waarom ik Bosje nog het meest bewonder. Echt niet om zijn gouden dasspeld en zijn marmeren muur. Ook niet om zijn tà te-´ -tà tes met wereldleiders. In mijn herinnering zal Bosje zal eeuwig voortleven als de president die de enige en universele oplossing heeft gevonden om elke tegenstander de mond te snoeren. Hij gaat met ze in dialoog.