(November 1998, nr. 2)
Door Ismene Krishnadath
Geen protestmars
Het is nooit mijn bedoeling geweest om in deze rubriek uit te wijden over mijn ‘einde van de wereld-ideeën’, laat staan in de tweede editie. Ik wil absoluut niet dat mensen denken dat ik van een of andere secte ben, maar toen ik dat artikel over de zondvloed in Midden-Amerika in de krant las, kon ik er niet onderuit. Die zondvloed hè, dat was echt de druppel die de emmer deed overlopen.
Ik ben er al een jaar of tien heilig van overtuigd dat het einde van de wereld in zicht is. Dat idee maakt me niet van streek en absoluut ook niet triest. Ik denk zelfs dat het een hele opluchting zal zijn als de wereld opgeruimd is. Mensen begrijpen dat niet. Als ik over het einde van de wereld begin, zeggen ze: "Doe niet zo pessimistisch".
Nogmaals, ik vind niets pessimistisch aan het einde van de wereld, maar omdat het zo
Het ‘einde van de wereld’ is nu als een verre vriend. Je weet dat hij bestaat, hij zou zelfs in levende lijve voor je deur kunnen staan, maar door de drukte van alledag ben je hem meestal vergeten. Totdat er, meestal toevallig, iets gebeurt dat je weer aan hem doet denken.
Zoals die file maandagochtend om zeven uur ‘s morgens op het voetgangersgedeelte van mijnstraat. Alle files, alle rijen in mijn straat – dat heb ik in de loop der jaren wel opgemerkt- gaan altijd naar één plaats: de Melkcentrale. Melk is een basisbehoefte en als mensen in de rij gaan staan voor melk is dat een teken dat er iets mis is.
De file heeft er drie dagen gestaan. Donderdag en vrijdag was de melkfabriek gesloten. Gelukkig niet omdat de melk op was, maar uit solidariteit met oppositionele organisaties die vonden dat het volk zich moest bezinnen op het wanbeleid van de regering en daarom een algemene staking afriepen. Paramaribo, een ghost town, slechts een hond op straat, lieten zij in hun televisieverslag zien.
De regeringsgezinde media liet dat niet over zich heen gaan. Zij brachten Esther in het geweer, een met het woord van God begiftigde dichteres. Esther had in haar dromen een mars gezien –geen protestmars, dat werd nadrukkelijk in de krant en op de televisie vermeld-, maar een mars ‘fu djeme fis Gado’, om God aan te roepen.
Het was de mars van zaterdag, de stad weer druk, de mensen die niet in de gelegenheid waren de hele mars uit te lopen, mochten hun boodschap aan God in gebedsdozen doen. De voorgangers zouden er wel voor zorgen dat die op de juiste bestemming aankwamen,
Ja, en toen ik dat artikel over de zondvloed in Midden-Amerika in de krant las, u begrijpt het al: het einde van de wereld is in zicht.