Liberalisatie en macro-economisch evenwicht

Het Surinaamse volk is de afgelopen weken in opstand gekomen tegen het wanbeleid van de regering Wijdenbosch. Een beleid dat het land rechtstreeks naar de afgrond heeft gebracht. Een absoluut onvermogen om een degelijk financieel-economisch en monetair beleid uit te stippelen en uit te voeren, zijn er de oorzaak van, dat de regering Wijdenbosch/Radhakishun het samenleving in ellende heeft gestort. Het is dan ook begrijpelijk dat het volk massaal en nadrukkelijk de afgelopen weken het onherroepelijk het vertrek van de president en de vice president heeft geeist. Reagerend op die roepstem vanuit de bevolking, heeft de Nationale Assemblee dinsdag een motie van wantrouwen tegen de president en de vice president aangenomen. President Wijdenbosch zelf had reeds in een veel eerder stadium het vertrouwen in zijn eigen financiele en monetaire medewerkers opgezegd. Hij benoemde daarom een senioren adviesorgaan, bestaande uit de heren P. Vos, dr. J. Sedney en dr. A. J. Brahim om hem van advies te dienen. Dit drietal heeft intussen zijn functie neergelegd, omdat de president nimmer heeft gereageerd op adviezen, die aaaan hem werden uitgebracht. Het senioren adviesorgaan zag over het hoofd dat Wijdenbosch niet gesteld is op eerlijk en deskundig advies. Dat bleek duidelijk door de wijze waarop Wijdenbosch reageerde toen hem werd voorgehouden dat er slechts 2000 tot 2500 mensen aan de protestdemonstratie deelname, terwijl hij voor de deur van zijn kabinet tegen tientallenduizenden aankeek.

In elk geval schreef het senioren adviesorgaan ten aanzien van het macro-economisch evenwicht en vrije koersvorming het volgende aan het staatshoofd.
 
 

Liberalisatie en macro-economisch evenwicht
 
 

Inleiding

De Surinaamse economie maakt moeilijke tijden door. De exportsector, die de kransslagader van onze economie vormt, wordt bedreigd. Het verschil tussen de verplichte afdrachtkoers van exportdollars aan de Centrale Bank van Suriname, (CBvS) en de vrije marktkoers waartegen dezelfde dollars weer worden opgekocht, is te groot.

De verliezen stapelen zich op en in enkele exportbedrijven doen zich reeds verstikkingsverschijnselen voor.

Het uitgebreide stelsel van vergunningen bij de vestiging van bedrijven, de import, de export en het deviezenverkeer, in combinatie met de lange wachttijden, werken ontmoedigend en vormen een rem op de vrije ontwikkeling van het Surinaams ondernemerschap.

De overheidsfinanciën zijn uit het lood geslagen. Hoewel de inkomsten van de staat zich in gunstige richting ontwikkelen, blijft het financieringstekort toenemen.

Van het bestedingsgedrag van de overheid valt weinig met stelligheid te voorspellen. Het verleden biedt daartoe geen houvast. Er moet daarom gelijk met het vrijlaten van de wisselkoers, een Spartaans bezuinigings-beleid worden gevoerd.

Wat het verleden ons leert is dat, voor herstel van het macro-economisch evenwicht, vrije koersvorming alleen, niet voldoende is. De krachten die tot de evenwichtsverstoring hebben geleid mogen nooit meer de kans krijgen in actie te komen. De maatregelen die zulks moeten voorkomen zijn:

stopzetting van de monetaire financiering;

vrije koersvorming;

liberalisatie van het deviezenverkeer;

afschaffing van verplichte afdracht van met export verdiende deviezen;

modernisering van het staatsapparaat;

afbraak van het uitgebreide vergunningenstelsel bij de vestiging van bedrijven, de import, en de export;

afzien van overheidsbemoeienis in de prijsvorming en distributie van goederen.

Voor succesvolle uitvoering van zo'n ingrijpend hervormingsproces, zijn nodig:

vertrouwenwekkend staatsbestuur;

een liberale geestesinstelling bij degenen die belast zijn met de leiding van het proces;

keuzevrijheid voor de burgers;

sociaal partnerschap en

nationale consensus.

Dat is precies waar het thans aan ontbreekt. De regering moet het initiatief tot het partnerschap nemen, maar de sociale partners moeten ook willen.

"It takes two to tango".

Indien het vorenvermelde hervormingsprogramma consequent wordt doorgevoerd, staan wij op de drempel van een nieuwe tijd, waarin Suriname zal worden getransformeerd tot een geliberaliseerde samenleving, waarin de marktkrachten en niet de overheid, het macro - eco-nomisch evenwicht bepalen.

Liberalisatie is geen doel op zich zelf, maar wordt gezien als de kortste weg naar macro- economisch evenwicht en maatschappelijk welbehagen. De voorwaarden voor macro - economisch evenwicht zijn: monetair evenwicht en budgettair evenwicht bij een hoge graad van economische activiteit met rechtvaardige welvaartsspreiding. De kenmerken van ma-cro - economisch evenwicht zijn: stabiele wisselkoersen, stabiel prijsniveau en even-wicht in het handels- en betalingsverkeer met het buitenland. In de volgende paragrafen ko-men aan de orde: het monetair evenwicht; het budgettair evenwicht en de gevolgen van de wisselkoersaanpassing op het prijsindexcijfer, waaruit de noodzaak voor periodieke inflatiecorrectie voortspruit. Vraagstukken van economische groei en welvaartsspreiding komen niet aan de orde. Die horen thuis in het Nationaal Reconstructie Programma en in het Meerjaren Ontwikkelingsplan.
 
 

HET MONETAIR EVENWICHT

Netto geldschepping brengt meer geld in omloop dan voor een vlotte afwikkeling van het handels- en betalingsverkeer nodig is. Via veranderingen in het prijsniveau komt een nieuw evenwicht tot stand op een hoger nominaal niveau.

Hoe duurzaam het nieuwe evenwicht zal zijn, hangt af van de mate waarin de monetaire autoriteiten erin slagen om de oorzaken die aanleiding geven tot de netto - geldschepping, onder controle te krijgen.

Voor de Minister van Fi-nanciën is het middel daartoe, de staatsbegroting (het budgettair beleid) en voor de CBvS, de geldvoorziening (het monetair beleid). Het is de taak van de CBvS om de geld-voorziening, zodanig te reguleren, dat daarvan geen storende invloeden uitgaan op het maatschappelijk leven. De evenwichtsformule is MV=PT, waarin M de geldhoeveelheid voorstelt, V de omloopsnelheid van het geld, welke in overwegende mate door de betalingsgewoonten

wordt bepaald, P het prijsniveau en T de nationale produktie.

Bij de financiële en monetaire beleidsvoering doet zich het probleem voor dat gegevens over de nationale produktie eerst laat beschikbaar komen.

De betalingsgewoonten (V - in de evenwichtsformule) wijzigen zich slechts langzaam en blij-ven gedurende lange tijd constant. Meetbare veranderingen in de omloopsnelheid van het geld doen zich alleen voor in tijden van maatschappelijke beroering, financiële crises en economische uitzichtloosheid. Voor het mo-netair beleid is de enige beheersbare grootheid uit de evenwichtsformule de geldhoeveelheid (M) en voor het ontwikkelingsbeleid is dat de productie (T).

Netto geldschepping brengt zoals in de aan-hef is gesteld, nieuw geld in omloop. Indien dat meerdere geld geen grotere produktie tegenover zich vindt, en de betalingsgewoonten blijven gelijk, zal via verandering in het prijsniveau, een nieuw evenwicht tot stand komen. Er is sprake van monetaire financiering, niet omdat er meer geld in circulatie is gekomen, maar omdat dat nieuwe geld geen additionele produktie tegenover zich vindt en ook niet correspondeert met de maatschappelijke behoefte aan geld voor transactiedoeleinden.

Zolang er geen einde komt aan de netto geldschepping en zolang de monetaire financiering duurt, zal er geen rust komen aan het prijzen en koersen front. De koers is immers ook een prijs. Als dit proces maar lang genoeg duurt, zullen ook de betalingsgewoonten zich wijzigen hetgeen nieuwe impulsen zal geven aan de reeds aan de gang zijnde inflatie en wisselkoersstijging.

M en V uit de evenwichtsformule jagen P op, terwijl T gelijk blijft.

Het gevolg is hyperinflatie en wisselkoersexplosie. Dat is wat in 1993 en 1994 is gebeurd en dat is ook wat anno 1998 aan de hand is. Aangezien de geldhoeveelheid op de korte termijn, de enige beheersbare grootheid is, wordt stopzetting van de netto geldschepping een Onverbiddelijke eis. In 1995 en 1996 is hieraan voldaan en herstel van evenwicht was het resultaat. In 1997 en 1998 is hieraan niet voldaan en dat is aanleiding voor onrust aan het prijzen en koersenfront.

Er is evenwicht als alle grootheden uit de evenwichtsformule in rust zijn of stationair draaien. Dat is dan statisch evenwicht. Er is ook evenwicht als alle factoren zich met dezelfde snelheid in dezelfde richting bewegen. Dat is dan dynamisch evenwicht. Is de bewegingsrichting naar boven, dan is er sprake van evenwichtige groei, wijst de bewegingsrichting naar benden, dan is er sprake van evenwichtige neergang dat eindigt met evenwicht in het dal. Evenwicht alleen zegt dus niets. Het gaat om evenwicht bij een zo hoog mogelijke graad van economische activiteit en maatschappelijk welbehagen. Economische activiteit is de economische dimensie, maatschappelijk welbehagen de sociaal-maatschappelijke dimensie.

Welke bestemming aan het overtollige geld uit de monetaire financiering (de overliquiditeit) wordt gegeven, is een kwestie van geloof en vertrouwen. Daarom is vertrouwenwekkend staatsbestuur zo'n kritische grootheid in het proces van nationale reconstructie.

Indien er geen vertrouwen is in de waardevastheid van de eigen munt of ingeval van negatieve spaarrente, zal het overtollige geld in waardevaste hoogrentende en snel liquideerbare activa worden omgezet. In de achterliggende jaren, waren de beleggingsobjecten: onroerend goed in een willige markt, deposito's bij ondergrondse bankiers die ten onrechte nearbankers werden genoemd of convertibele vreemde valuta. Steeds werd voor de meest aantrekkelijke van deze drie beleggingsmogelijkheden gekozen. In de jaren 1988 tot 1992, ging de voorkeur uit naar beleggen in onroerend goed. De prijzen van onroerend goed schoten de lucht in, terwijl de wisselkoers en het prijsniveau slechts langzaam omhoog kropen. Er was sprake van kruipende inflatie. In de jaren 1993 en 1994, toen de geldschepping beangstigende vormen begon aan te nemen, genoot beleggen in convetibele vreemde valuta (Nf of US$) de voorkeur. De jacht op snel realiseerbare koerswinst was toen de drijfveer. Dat waren de jaren van hyperinflatie en wisselkoersexplosie. Toen de inflatie een absoluut hoogtepunt had bereikt, werd beleggen bij de ondergrondse bankiers met hun torenhoge rentevergoedingen de moede van de dag. Een groot deel van het overtollige geld werd die richting opgestuurd, hetgeen de druk op de wisselkoers verlichtte. De unificatie van de wisselkoers in 1994 en de versnelde heffing en inning van de loon- en inkomstenbelasting in 1995 - 1996, maakten van het ene jaar op het andere een eind aan de overheidstekorten. Unificatie en selfassessment hebben samen een stormachtige verhoging van de overheidsinkomsten teweeggebracht en wel van bijna Sfl miljard in 1993 tot Sf 58,9 miljard in 1995 (zie bijlage 2a). De spaarrente van de banken werd verhoogd en dat maakte sparen op de bank weer de moeite waard. Het herstelde vertrouwen was voor velen aanleiding om het geld dat ze in het buitenland hadden weer thuis te brengen, en er kwam een vorm van sociaal-partnerschap onder de benaming Tripartiet Overleg. Het budgettair evenwicht werd hersteld, daarna volgde het monetair evenwicht en tenslotte het macro-economisch evenwicht. De kenmerken waren stabiele prijzen en stabiele wisselkoersen. Prijszetting, prijscontrole en distributie van goederen waren niet meer nodig. In 1997 en 1998 liep de zaak weer uit de hand. De onroerend goed markt was reeds eerder in elkaar geklapt, de ondergrondse bankiers waren ontmaskerd. Het evenwicht op de staatsbegroting was verbroken en de spaarrente werd weer verlaagd. De enige plaats waar men met zijn overliquiditeit tegen redelijke beloning nog terecht kon was de parallelmarkt. In deze situatie is nog steeds geen verandering gekomen. Het sociaal partnerschap dat in 1994 gestalte had gekregen in het Tripartiet Overleg, bestaat niet meer en het moeizaam opgebouwde vertrouwen in de eigen munt, is weggeëbd, terwijl de relatie met de ambtenarenvakbeweging verre van hartelijk is.

Aan het eind van 1998 (augustus tot december) viel er een plotseling grote belangstelling voor de in 1994, gentroduceerde Powisie Certificaten waar te nemen. Om de schamele rentevergoeding van 5 procent per jaar zal het wel niet gaan. Volgens de weekstaten van de CBvS is er alleen al in de twee wekelijkse periode van 16 tot 31 oktober voor bijna Sf 200 miljoen aan Powisie Certificaten verkocht, kennelijk met het oog op de naderende aanpassing.
 
 

HET BUDGETTAIR EVENWICHT

 De opbouw van de overheidsbegroting geeft een duidelijk beeld van de overtrokken rol van de overheid binnen het economisch gebeuren in Suriname. Behalve de directe bemoeienis van de overheid in productie en handelsprocessen in de vorm van restricties en vergunningen, is ook duidelijk te merken, de rol in het arbeidsproces, waarbij de overheid bijkans de helft van de beroepsbevolking in dienst heeft en daardoor trendsetter is in de loonontwikkeling. Daarnaast is er nog steeds sprake van directe prijszetting en/of prijsbeïnvloeding middels subsidies aan nutsbedrijven, hetgeen neerkomt op subsidies aan de gehele bevolking, arm en rijk.

De begrotingstekorten en de wijze van financiering zijn reeds geruime tijd een bron van financiële ellende in de Surinaamse economie. Het belang van begrotingsdiscipline wordt onvoldoende onderkend en heeft ons land in de greep van structurele onevenwichtigheid gebracht. De hardnekkige begrotingstekorten zijn middels verschillende varianten van geldcreatie gefinancierd, varirend van credietverlening door het bankwezen aan de staat, tot de minder opvallende doch even funeste credietverstrekking aan staatsbedrijven onder garantie van de staat, voor het betalen van achterstallige belastingen. Begrotingsfinanciering middels geldcreatie betekent niet anders dan schulden betalen middels ongedekte cheques: de rekening wordt echter vroeg of laat in één of andere vorm gepresenteerd.

In de paragrafen die volgen wordt eerst de inkomstenkant van de begroting in beschouwing genomen en daarbij drie voorstellen tot middelenverhoging geformuleerd; daarna de uitgaven zijde met voorstellen tot bezuiniging, waarin sanering van het ambtelijk apparaat inclusief de staatsbedrijven een centrale plaats inneemt.

-

GEVOLGEN VAN DE VRIJE KOERSVORMING

Stabilisatie van de wisselkoers op het niveau dat overeenkomt met de huidige vrije markt koers, zal ingrijpende gevolgen hebben voor zowel de ontvangsten als de uitgaven van de overheid. De ontvangsten uit invoerrechten, omzetbelasting en aanverwante heffingen zullen fors stijgen evenals de loon- en inkomstenbelasting, uit hoofde van de te verwachten loonsverhogingen en gestegen no-minale bedrijfswinsten. Uitgaande van een heffingsgrondslag van ca. Sf 400, mag bij een verwachte koersstabilisatie van Sf 700,- voor de USD, een toename van ruim 72% verwacht worden. Het uitgangspunt hierbij is natuurlijk dat het importvolume ongewijzigd blijft. Het totaal aan belastingontvangsten zal een stijging vertonen van minstens 33 miljard en van 113 naar minimaal 146 miljard.

Ook zonder devaluatie zullen de overheidsinkomsten met Sf 15,5 miljard stijgen. De meevallers uit de inhaalmanoeuvre van niet afgedragen loonbelasting, door voornamelijk staatsbedrijven zal zich in 1999 voortzetten. De goudsector wordt geordend en binnen de belastingsfeer gebracht. Bij De Nationale Assemblée liggen wetsontwerpen tot verhoging van enkele accijnzen, terwijl in voorbereiding is de invoering van een luxe-tarief van 20 procent (in plaatst van 7) voor de omzetbelasting. Van de oorspronkelijke schuld van ruim Sf 24 miljard van de particuliere banken is reeds de helft omgezet in een langlopende, laagrentende lening en de andere helft zal worden gebracht onder de werking van artikel 21 van de Bankwet. Dit alles maakt kans op het realiseren van de norm van 3 procent zeer waarschijnlijk, In overweging wordt gegeven ook nog andere middelen verhogende maatregelen te nemen. Verkoop van overheidsaandelen in NV's, de onroerendgoedbelasting, verhoging van de erfpacht/grondhuur canon en de conversie van erfpacht en grondhuur in eigendom, zijn drie voor de hand liggende mogelijkheden.

Ook de uitgaven zullen stijgen, in het bijzonder de schulden, verplichtingen en aanschaffingen, die in vreemde valuta moeten worden afgewikkeld. Voor de buitenlandse schulden moeten meer Surinaamse guldens worden neergeteld, maar voor de schulden die in Surinaams courant luiden, minder convertibele valuta. Bij de unificatie van de wisselkoers in 1994, werd de binnenlandse schuld bijna volledig weggewist. Het uiteindelijk effect van de vrije koersvorming op de schuldpositie van de staat zal dus afhangen van de samenstelling van de schuld in een binnenlandse en buitenlandse component en van de voorwaarden. Voor de kosten van de Buitenlandse Dienst en voor contributies aan internationale en regionale organisaties, zullen meer Su-rinaamse guldens worden neergeteld. Tenslotte zullen ook de lonen, pensioenen, AOV-uitkeringen en sociale voorzieningen onvermijdelijk omhoog gaan. Bij de unificatie van de wisselkoers in 1994 en de jaren daarna zijn vergaande bezuinigingen achterwege gelaten. De consumentensubsidie op melk, brandstof, brood en kookgas, werd afgeschaft, de materiële uitgaven werden tot een uiterst minimum teruggebracht, terwijl noodzakelijk onderhoud aan staatseigendommen, openbare gebouwen en wegen, achterwege werd gelaten en ook de agrarische infrastructuur aan verwaarlozing werd opgeofferd. Ondanks al deze bezuiningen zijn de overheidsuitgaven in de jaren 1993 tot 1996 toch gestegen en wel van 36 tot 53 procent van het bruto binnenlands product. Het is aan de forse stijging van de overheidsinkomsten te danken, dat 1995 en 1996 een financieringsoverschot vertoonden. De lering uit dit recente verleden is dat vrije koersvorming alleen, niet voldoende is. Zonder de bijkomende maatregelen die begrotingsevenwicht moeten garanderen en de voorwaarden voor economische groei moeten realiseren, zal vrijlating van de wisselkoers ons in een onbeheersbaar avontuur storten.
 
 

EEN ZELFHELEND DWANGMIDDEL

Politici met regeermacht bekleed, zijn over het algemeen bang om het woord devaluatie in de mond te nemen. Toch is devaluatie geen verwijtbare handeling. Integendeel: Soms is ze het enig juiste middel tegen verwijtbaar monetair- en financieel beleid uit een nabij verleden. Devaluatie, ondersteund door de noodzakelijke aanvullende voorzieningen voorziet, mits goed gedoseerd en consequent doorgevoerd, zelf in de middelen, die nodig zijn om het verstoorde evenwicht in de staatsbegroting te herstellen. Dat maakt devaluatie een zelfhelend dwang middel.
 
 

DE NORM VOOR HET BEGROTINGSTEKORT

Suriname en de IDB zijn in het kader van de lening van USD 30 miljoen, overeengekomen dat, het begrotingstekort in 1998 niet meer mag bedragen dan 5,3 procent van het bruto binnenlands product (BBP/GDP) en in 1999 niet meer dan 3 procent. Hierdoor wordt het mogelijk, het tekort monetair neutraal te financieren uit de nationale besparingen. Het ziet er niet naar uit dat de norm van 5,3 procent voor 1998 zal worden gehaald. Het financieringstekort was tegen het einde van de maand november 1998 reeds opgelopen tot ongeveer S? 30 miljard, overeenkomend met meer dan 7,3% van het BBP. Dit tekort is gefinancierd door intering op de reserves die in vorige jaren waren opgebouwd, uit buitenlandse leningen en uit voorschotten van enkele particuliere banken. Deze voorschotten vallen buiten het credietplafond dat door de Centrale Bank, uit overwegingen van gezond monetair beleid van de banken was opgelegd. Pure monetaire financiering dus. De kansen om in 1999 de norm van 3 procent wel te halen zijn aanzienlijk gunstiger. De unificatie van de wisselkoers zal evenals in 1994 en 1995 ook nu weer het wonder verrichten. In dat op zicht kunnen de gebeurtenissen in die jaren voor ons als een wegwijzer dienen. In 1992 vertoonde de staatsbegroting een tekort van 12 procent van het BBP, in 1993 een tekort van 21 procent, in 1994 een tekort van 9 procent en dan plotseling in 1995 een overschot van 4 procent/BBP. De verklaring van deze plotselinge omslag ligt in de unificatie van de wisselkoers in 1994, hetgeen in feite neerkomt op een devaluatie van de munteenheid en de selfassessment in de inning en heffing van de loon- en inkomstenbelasting. De overheidsinkomsten stegen van 13 procent/ BBP in 1993 tot 39 procent/BBP in 1996. In absolute bedragen van bijna S? 1 miljard in 1993 tot S? 68 miljard in 1996 (zie bijlage 2a). Voor de belastingopbrengsten uit de aluminiumindustrie was het bauxietakkoord van 1993 van belang en de verhoging van de aluminiumprijs op de wereldmarkt van USD 150 - 160 per ton in 1992 tot boven USD 190 per ton in 1995/1996.
 
 

RUIMTE VOOR BEZUINIGING

De tekorten op de staatsbegroting zijn voor het overgrote deel zichtbaar op de Gewone Dienst. De Gewone Dienst omvat hoofdzakelijk de lonen, de subsidies, de sociale uitgaven en de materile uitgaven. De loonuitgaven vormen de grootste post en zijn mede daardoor ook het meest voor de hand liggende aangrijpingspunt voor bezuinigingen. Toch moet hiervan op de korte termijn niet veel worden verwacht, onder andere als gevolg van de politieke weerstanden, de slechte verstandhouding met de ambtenarenvakbeweging en tenslotte de bescherming die de personeelswet de ambtenaren biedt. Afvloeiing van ambtenaren, blijft daarmee een vrijwillige aangelegenheid die in nauwe samenwerking met de ambtenarenvakbeweging moet worden ondernomen.

Dat maakt de uitkomst zo onzeker. Meer kans van slagen biedt het natuurlijk verloop in combinatie met een rigoureuze personeelsstop. Ook de abrupte beëindiging van de consumenten subsidie op elektriciteit zal niet de besparing opleveren die het bedrag aan subsidie op de staatsbegroting doet vermoeden. In de plaats van de objectsubsidie zal er een subjectsubsidie moeten komen om de schok van de tariefsverhoging voor de lagere inkomensgroepen op te vangen. Ook op de sociale voorzieningen valt er nauwelijks te bezuinigen. Deze zullen eerder stijgen dan dalen. Wat wel moet gebeuren is dat alle overheidsdiensten en instellingen die met sociale verstrekkingen belast zijn, aan een grondige herbeschouwing worden onderworpen. Als niet op de verstrekkingen bezuinigd kan worden, mogelijk wel op de diensten die ermee belast zijn. Het is niet realistisch om bij het huidig niveau van materiele voorzieningen bij de overheid, over te gaan tot bezuiniging. De materiële voorzieningen zijn op een minimaal niveau en kunnen nau-welijks nog omlaag. De minimale aanschaffingen die nog worden gedaan, zullen vanwege de prijstoename, eerder stijgen dan dalen, min of meer gelijk aan het depreciatiepercentage.
 
 

SANERING VAN HET AMBTELIJK APPARAAT

Sanering van het overheidsapparaat is reeds lange tijd in discussie en bij vrijwel alle aan de overheid verstrekte adviezen tot bezuiniging op de overheidsuitgaven, prijkt deze actie. Sanering wordt ten onrechte geassocieerd met afvloeiing, waardoor bij de ambtenaren vrees voor ontslag wordt opgeroepen en bij politici angst voor de electorale gevolgen daarvan. Saneren betekent in beginsel organiseren en moderniseren en waar zulks nodig blijkt afslanken en afstoten. Het gevolg kan zijn, afvloeiing, maar daar zijn humane oplossingen bij te be-denken. Ten aanzien van de staatsbedrijven nog het volgende. Het moet als bekend worden verondersteld dat de bedrijfsvoering bij het overgrote deel van de staatsbedrijven, inefficiënt is. Staatsbedrijven opereren met de zegen en zekerheid die de overheid hen verschaft en nemen in de meeste gevallen een monopoliepositie is. De bedrijfsvoering is niet op winst - of kwaliteitsmaximalisatie gericht, maar op maximalisatie van het personeelsbestand en daarboven nog maximalisatie van de lonen. Het is daarom niet verwonderlijk dat deze bedrijven zijn verworden tot patronage- en soms zelf familiebedrijven. Er wordt een risicoloze vorm van management gevoerd, waardoor er geen noodzaak tot verhoging van de efficiency bestaat. Ook via deze bedrijven heeft de overheid de rol van (indirecte) werkverschaffer bij uitstek, hetgeen een oneerlijke concurrentie vormt voor de particuliere sector en aldus een rem op de ontwikkeling van die sector. Reeds geruime tijd zijn er plannen over privatisering in discussie, echter zonder enig tastbaar resultaat.

Er heersen op dit gebied veel misverstanden die bewust in stand gehouden worden. Begrijpelijk: een directeur die in zijn directeurszetel gebeiteld zit, job security voor de werkers en allerhande privileges voor alle werkers in het bedrijf, van hoog tot laag. Wie met zijn drieen over privatisering deze verworvenheden, die gaande weg zekerheden zijn geworden, een bedreiging vormt, wordt te vuur en te zwaard bestreden. Privatisering moet zorgvuldig worden voorbereid en in een geïntegreerd privatiseringsplan worden samengevat.

Het plan moet aan de volksvertegenwoordiging ter beoordeling worden voorgelegd en een speciaal daartoe aangewezen instantie onder leiding en verantwoordelijkheid van de president van de Republiek Suriname, moet met de uitvoering worden belast. In veel landen wordt gebruik gemaakt van het UNOPS, een UN-organisatie die op semi-commerciële basis dergelijke operaties uitvoert, omwille van de transparantie, onpartijdigheid en hun specifieke expertise. Bij de staatsbedrijven die niet voor privatisering in aanmerking komen, dient een proces van efficiënte bedrijfsvoering geïntroduceerd te worden. Dit kan bereikt worden middels uitbesteding van het management aan daartoe ge-specialiseerde experts. Benoemingen voor onbepaalde tijd, waarbij de staat middels vernuftige management contracten in een chantabele positie wordt gemanoeuvreerd, moeten wor-den voorkomen. Vele overheidsdiensten zijn belast met taken die niet in overeenstemming zijn met de rol die de overheid in een moderne samenleving wordt toegekend. In moderne opvattingen over overheidsbestuur, zijn verantwoordelijkheden van de overheid beperkter. De diensten die niet meer passen binnen de beperkte rol van de overheid moeten worden afgestoten naar de particuliere sector of indien ze nodig bij de overheid moeten blijven - gecommercialiseerd. Het verdient aanbevelingen om in dit licht de positie van o.m. de Centrale Markt, de Dienst der Belastingen, Milieubeheer, de dienst voor de jaarlijkse keuring van overtuigen, de dienst Waarborg en IJkwezen, de Centrale Werkplaats van het mi-nisterie van Openbare Werken etc., aan een diepgaande beschouwing te onderwerpen. Vele van deze activiteiten kunnen efficiënter door de particuliere sector worden uitgevoerd, maar zolang de overheid deze gebieden beheerst, zal de particuliere sector geen belangstelling tonen.
 
 

VRIJE KOERSVORMING EN PRIJSINDEXCIJFER

Het meest directe gevolg van de koersaanpassing (devaluatie), is de stijging van de prijzen. Het uiteindelijk effect op het indexcijfer van de gezinsconsumptie (CPI), kan niet door rechtlijnige extrapolatie worden verkregen. Er zijn korte termijn en lange termijn effecten en ook op de korte termijn zijn er tussen de bedrijven, verschillen in uitgangspositie en in benadering. De sterkste stijgingen zullen zich voordoen bij de bedrijven die voor hun aanschaffingen preferentile koersen toegewezen krijgen. Bekende voorbeelden zijn: de aardoliedistributiemaatschappijen, de Energie Bedrijven Suriname (EBS), de Surinaamse Waterleiding Maatschappij (SWM), het Bedrijfs Geneesmiddelen Voorziening Suriname

(BGVS) en de Melkcentrale. In de bijlagen zijn de gevolgen van de koersaanpassing voor deze bedrijven uitgewerkt. De cijfers zijn van de bedrijven zelf afkomstig. Aangenomen wordt dat al deze bedrijven na de koersaanpassing, hun deviezen marktconform ko-pen. Door vrijwel alle andere bedrijven wordt reeds geruime tijd op basis van de parallelmarktkoers gecalculeerd, waarbij sommige de volledige bedrijfsmarge, dus inclusief de looncomponent en de bankrente laten meestijgen, andere alleen de lonen en niet de rente. Zonder gedetailleerde kennis van wat er precies in de bedrijven gebeurt, is geen betrouwbare schatting te geven van het effect van de wisselkoersaanpassing op het CPI. We zullen moeten volstaan met benaderingen.
 
 

INFLATIECORRECTIE EN VARIABELE DUURTETOESLAG

Het onvermijdelijke koopkrachtverlies van de werkers bij de overheid en in de bedrijven moet gecompenseerd worden. In de CAO's van enkele grote bedrijven is op deze ontwikkeling geanticipeerd. Een voorbeeld, ter navolging, is de ''variabele duurtetoeslag'' in de recente CAO tussen de Suralco en de bauxietbonden. Deze voorziening heeft het mogelijk gemaakt dat er een driejarige CAO kon worden ge-sloten. Bij de overheid ligt de relatie tussen wisselkoers, hogere belastingopbrengsten en loonkosten, anders dan in de particuliere bedrijven. Toch zal ook de overheid niet ontkomen aan de verplichting een inflatiecorrectie, duurtetoeslag, aan de ambtenaren, gepensioneerden en de AOV-ers aan te bieden, ter compensatie van het koopkrachtverlies, als gevolg van de devaluatie. Reeds enkele jaren achtereen worden er voorstellen gedaan om de compensatie voor het koopkrachtverlies te zoeken in periodieke bijstelling van de belastingschijven; bijvoorbeeld elk jaar in de maand april. Deze voorstellen worden telkens weer afgewezen, met het argument dat deze een element van onzekerheid in de belastingontvangsten zouden introduceren of uit vrees voor de loonprijsspiraal. Wat het laatste betreft, ten onrechte. De inflatiecorrectie wordt immers gefinancierd uit het inflatievoordeel dat in de hogere bedrijfs- dan wel belastingopbrengsten besloten ligt. Een realistisch bezwaar tegen deze optie is wel dat inkomens beneden de belastbare grens er niet van profiteren. Wellicht dat een combinatie van uitwerking in geld en bijstelling der belastingschijven overwogen zou kunnen worden. Het beleid van de regering moet er niet op gericht zijn om de prijzen van de eerste levensbehoeften op een onrealistisch laag niveau te houden, maar om deze betaalbaar te houden. Op de betaalbaarheid komt het aan.

De prijzen moeten de juiste waarde reflecteren: de betaalbaarheid wordt bereikt door de inkomens (koopkracht) aan te passen. Zonder uitzicht op de inflatiecorrectie of periodieke duurtetoeslag, wekt elke prijsstijging de woede van het kopend publiek op. Deze dagelijks terugkerende woede bepaalt de stemming in het land en de houding van de burgers tegenover de regering. Met een stelsel van Automatische Inflatie Correctie (AIC), wordt er weliswaar een element van onzekerheid in de over-heidsfinanciën geïntroduceerd, maar de

schuld daarvan ligt bij de regering zelf. Het voordeel van zo'n AIC is, dat de dagelijkse fixatie van de burgers op de prijzen en de daarmee verbandhoudende dagelijkse irritatie, plaats maakt voor wachten op de jaarlijkse of halfjaarlijkse (AIC) uitkering. Het is een rechtvaardige voorziening, die ook nog voor een stuk arbeidsrust en ontspanning zorgt en als extra bonus ook nog een verbeterde relatie tussen regering en ambtenaren vakbeweging oplevert.
 
 

DE EXPORT SECTOR

Alle exportbedrijven hebben nadeel van de onrealistische koers waartegen zij hun exportdollars aan de CBvS moeten afdragen. Het meeste nadeel, hebben de exportbedrijven die verplicht zijn om al hun exportdollars naar Suriname over te maken en over te dragen aan de CBvS, terwijl ze voor hun import op de vrije valutamarkt terecht moeten. De bauxietbedrijven maken alleen extra dollars over voor hun lokale verplichtingen. Die dollars moeten wel tegen een lage aankoopkoers aan de CBvS worden afgedragen. Bij de bauxietbedrijven spreken wij daarom van "derving" en bij de exportbedrijven die niet in dezelfde positie verkeren van "verlies". Geen wonder dat sommige Surinaamse exportbedrijven hun exportdollars in het buitenland aanhouden voor het doen van hun aankopen. Een kwestie van overleven. De bauxietbedrijven beroepen zich terecht op de wisselkoersresolutie van 1994 en op het bauxietakkoord van 1993, uit hoofde waarvan zij verplicht zijn om op de midden-lange- en lange termijn investeringen te doen die op de continuteit van de industrie in Suriname moeten waarborgen.

Samengevat levert de vrijlating van de koersvorming van de wisselkoers de exportbedrijven de volgende voordelen op:

* Verlaging van de productiekosten in USD

* Verbetering van de winstgevendheid van de onderneming

* Vergroting van de cashflow

* Betere toegang tot internationale commerciële financieringsmarkten

* Verruiming van de investeringsmogelijkheden en uiteindelijk weer meer USD voor de staat

* Toename van de lokale aankopen

* Ruimere mogelijkheden om gekwalificeerd personeel aan te trekken.
 
 

DE OPENINGSKOERS

De openingskoers is beslissend voor het welslagen van de onderneming. Voorgesteld wordt om zo hoog mogelijk in te zetten. Een openingskoers die te zijn afwijkt van de actuele vrije markt-koers, zal geen stand houden. Er zal zich binnen de kortste tijd een nieuwe parallelmarkt ontwikkelen. Er bestaat ook geen behoefte aan een administratieve richtkoers, zo die behoefte ooit heeft bestaan. Elke poging om de wisselkoers door middel van zachte dwang van boven af te reguleren, zal resulteren in het ontstaan van een nieuwe parallelmarkt. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de overheid of enige overheidsinstantie de behoeften van de markt beter kent dan de markt zelf. Van stabiele wisselkoers zal pas sprake zijn wanneer de koers in volle vrijheid tot stand komt en aan de monetaire financiering een einde is gekomen.
 
 

SAMENVATTING VAN DE TE NEMEN MAATREGELEN

1. Vrije koersvorming onder gelijktijdige stopzetting van de monetaire financiering

2. Liberalisatie van het handelsverkeer en deviezenverkeer

3. Afschaffing van de afdrachtplicht van met export verdiende deviezen en afschaffing van alle preferentiële koersen

4. Modernisering en sanering van het overheidsapparaat

5. Planmatige privatisering van staatsbedrijven

6. Organiseren en opnemen van de goudsector in het officieel circuit van de Surinaamse economie

7. Oprichting van een instituut voor de Sociale Zekerheid met als eerste opdracht, de realisatie van een Nationale Basis Pensioenregeling

8. Herstel van de ontwikkelingsrelatie met Nederland

9. Verkoop van overheidsaandelen in NV's

10. Introductie van de onroerend goed belasting

11. Conversie van erfpacht/grondhuur in eigendom.