WAT HEBBEN WIJ GELEERD UIT DE CRISIS?
De grote protestdemonstraties en de parlementaire motie van wantrouwen
tegen de regering liggen alweer een maand achter ons. Ondertussen heeft
de president de motie naast zich neergelegd en heeft hij de presitigieuze
brug over de Coppenamerivier geopend. Het kabinet is nog niet gereshuffeld,
terwijl de Nationale Assemblee vervallen is in haar oude gewoonte om geen
quorum te verlenen en met weinig prestaties een dikke boterham te verdienen.
Is alles terug naar de normale rommelige politiek met een ietwat apathische
bevolking, of is er toch iets veranderd in politiek Suriname? En wat zal
er in de komende periode mogelijk gebeuren. In dit laatste artikel zal
getracht worden enige gedachten hierover te formuleren. Voordat ik dat
doe echter nog enige aanvullingen op het vorige artikel. Ik werd er ook
op gewezen dat de HPP en PVF niet zozeer uit solidariteit met BVD minister
Mungra zijn vertrokken uit de coalitie, maar vooral omdat men het niet
eens was met het beleid van de regering. Mevr. Djwalapersad heeft inmiddels
bekend gemaakt dat er een nieuwe partij komt. De BVD heeft verkiezingen
gehouden, waarbij voorzitter Gobardhan is herkozen en het lijkt niet onwaarschijnlijk
dat deze partij met de KTPI en Pendwalima in zee gaat. Ook zijn er speculaties
in de pers geweest omtrent een mogelijke nieuwe partij van president Wijdenbosch
en een aantal NDP dissidenten. Het politieke landschap zal op weg naar
de verkiezingen nog wel meer veranderingen laten zien.
Politiek bewustzijn
Er is de afgelopen maand wel degelijk iets veranderd in de Surinaamse
politieke sfeer. Het belangrijkste effect van de gebeurtenissen van de
afgelopen maand is namelijk een enorme toename van het politiek bewustzijn
onder de kiezers. Er is sinds de onafhankelijkheid waarschijnlijk nooit
zo intensief van gedachten gewisseld over een aantal basisprincipes in
onze politiek. De talkshows stonden bol van discussies over de grondwet,
het politiek systeem, en allerlei andere politieke en staatsrechtelijke
issues. De kranten schreven er vele artikelen over, terwijl men de ingezonden
brieven en gedichten niet aankon. Het effekt is zelfs duidelijk gemeten
door het IDOS, die zowel in april als juni van dit jaar een opiniepeiling
deed. In mijn vorige artikel heb ik alleen de resultaten van juni betrokken,
omdat het om de trend over een aantal jaren ging. In april gaf echter 28%
van de kiezers aan niet te zullen stemmen, terwijl dit in juni slechts
11% was. Daarnaast wist in april 27% niet op welke partij ze zouden stemmen,
terwijl dit in juni gedaald was tot 22%. Samen wist in april 55% van de
kiezers in Paramaribo dus niet op wie ze zouden stemmen en of ze wel zouden
stemmen. In juni -dus na de protestmanifestaties en de vele discussies-
was dit percentage gedaald tot 34%. Het verschil van 21% tussen april en
juni is dan ook een duidelijke indikatie van verhoogd politiek bewustzijn.
Zelfs wanneer de massa dus niet meer bereid is om op straat te komen om
politieke concessies af te dwingen, betekent dat niet dat men tot apathie
vervallen is. De meeste kiezers slaan waarschijnlijk nauwlettend gade wat
de politici met hun signalen doen en zullen hun oordeel bij de stembus
vellen.
Grondwet herzien
In de afgelopen periode is gebleken dat de grondwet vol wettelijke
gaten zit, terwijl een aantal gaten met zand zijn gevuld. Het is moeilijk
voor de politiek gammele wagen van de Assemblee om al die gaten te omzeilen.
De eerstvolgende regering zal de herziening van de grondwet dan ook hoog
in het vaandel moeten hebben. Er zal een duidelijke keuze gemaakt moeten
worden voor een rechtstreeks gekozen president of voor een volledig parlementair
systeem met een politieke minister-president en een ceremoniele president.
Het huidige semi-parlementair stelsel met een indirekt gekozen president,
die na zijn verkiezing weinig rekening meer houdt met de politieke constellatie
waar hij uit voort komt, maar ook nauwelijks met de Assemblee die controle
moet uitoefenen, werkt niet. President Wijdenbosch heeft het systeem in
dat opzicht tot het uiterste getoetst en het resultaat is voor zowel burgers
als politieke partijen niet bevredigend. Ons politiek stelsel en de grondwet
geven aan dat de macht bij de Assemblee ligt, maar kennelijk dient dit
nog sterker in de grondwet verankerd te liggen, zodat er bij de invulling
van posities niet te veel mis kan gaan.
Afzettingsprocedure
Gebleken is dat de president wel met een gewone meerderheid afgezet
kan worden, omdat hierover een duidelijke correspondentie tussen de toenmalige
regering en assemblee is gevoerd bij de grondwetswijziging in 1992. Daarbij
is het uitdrukkelijke voorstel van de regering Venetiaan om de eventuele
afzetting van een president met een tweederde meerderheid te laten plaatsvinden
weer ingetrokken. Degenen die volhouden dat het afzetten van de president
met een gewone meerderheid niet grondwettig zou zijn, gaan niet alleen
voorbij aan de tekst in de grondwet, maar ook aan de in 1992 uitgewisselde
stukken. Het is evenwel duidelijk dat er staatsrechtsgeleerden, politici
e.a. zijn die zich tegen de idee van een gewone meerderheid verzetten,
maar dat lijkt vooral een normatieve zaak (het behoort niet zo te zijn).
Dit vergt een nieuwe grondwetsdiscussie. Ook blijkt in art.181 lid 2c een
onduidelijke verwijzing te staan over het afzetten van de president door
de Verenigde Volksvergadering bij wet, indien de Assemblee niet tot overeenstemming
komt. Een prominent staatrechtsgeleerde bijvoorbeeld vindt dat de president
wel bij gewone meerderheid afgezet kan worden, maar dat dit op basis van
een wet moet geschieden. De vraag is natuurlijk in welke gevallen de Assemblee
niet tot overeenstemming kan komen? Indien er geen meerderheid te vinden
is om de president af te zetten, blijft die gewoon aanzitten zou men denken
en is een stemming in de VVV niet nodig. En indien er wel een meerderheid
is, heb je de VVV hooguit nodig voor het kiezen van een nieuwe president,
maar niet meer voor het afzetten. Van NDP zijde is verder terecht aangehaald
dat de huidige formulering in de grondwet betekent dat elke meerderheid
van de aanwezige assembleeleden de president kan afzetten (dus bijv. 14
van 27 aanwezige leden). Inderdaad is dit de consequentie van de tekst
in de grondwet, hetgeen normatief niet correct lijkt. Ook hier zou bij
een grondwetswijziging een herformulering op de plaats zijn (nl. tenminste
26 van de 51 leden). Opgemerkt moet worden dat deze situatie zich bij de
motie van wantrouwen niet heeft voorgedaan, omdat er immers 27 assembleeleden
achter de motie stonden. Toch dient de hele afzettingsprocedure verder
gestroomlijnd te worden.
Democratie
In het hele proces rond het afzetten van de president is naar voren
gekomen dat de democratie in Suriname nog zwak is. Dit blijkt o.m. uit
het feit dat de Assemblee het voor quorum te vaak moet hebben van een aantal
besluiteloze volksvertegenwoordigers. De wijziging van de quorumregels
in de Assemblee heeft niets opgelost. Van oppositionele zijde is trouwens
geruime tijd geen quorum verleend, waardoor het werk van de Assemblee gestagneerd
is. De reden voor het al dan niet verlenen van quorum mogen nog zo goed
zijn, maar als middel is het binnen een parlementaire democratie niet goed
te praten. Dat geldt ook voor de coalitie, die diverse malen hetzelfde
middel heeft gehanteerd. Op deze wijze gijzelt men de volkswil. De Assemblee
is de afgelopen jaren nauwelijks in staat gebleken om de regering te kontroleren,
hetgeen mede geleid heeft tot een vrij autoritaire regering. De regering
heeft al lange tijd geen werkbare meerderheid in de Assemblee, hetgeen
blijkt uit het keer op keer uitstellen van de vergaderingen. Hier wordt
geen enkele consequentie aan verbonden, maar er wordt rustig doorgeregeerd.
Zelfs na de motie van wantrouwen is de regering gewoon blijven aanzitten,
alsof er niets aan de hand is. Helaas lijkt het er op alsof onze democratie
steeds dreigt af te glijden omdat vele partijen democratie kennelijk zien
als het verwerven van 26 zetels in de Assemblee, waarna men een vrijbrief
meent te hebben om te doen en te laten wat men wil. Ook buigt men zonder
consistentie de grondwet, wetten en procedures, via allerlei interpretaties
nu eens die kant uit en dan weer naar de andere kant, zoals het politiek
het beste uitkomt. Er is dus sprake van een vrij numerieke en formalistische
benadering van democratie. Democratie is volgens de bekende Franse socioloog
Alain Tourain (1997) echter "nooit te reduceren tot procedures of zelfs
instituten; het is een sociale en politieke kracht om de macht van de wettige
staat op zodanige wijze te transformeren dat het correspondeert met de
belangen van de burgers". In een democratie moet het er steeds om gaan
of de sociale keuzen en issues werkelijk boven tafel komen en dat gebeurt
te weinig.
Politieke patstelling
Ondertussen is de oppositie haar tijdelijke meerderheid kwijtgeraakt
en kan zij geen vervolg geven aan de motie tot afzetting van de president.
Dit betekent dat het er niet naar uitziet dat de kandidaten voor president
en vice-president, Andre Telting (oud president Centrale Bank) en Eddy
Jharap (direkteur Staatsolie), op korte termijn gekozen kunnen worden.
Twee van de 27 assembleeleden hebben zich kennelijk bedacht en doen niet
meer mee. Indien de regering meent weer over een meerderheid te beschikken,
kan ze de Assemblee om een motie van vertrouwen vragen, waarmee de eerdere
motie ongedaan wordt gemaakt. Het probleem is echter dat bij gebrek aan
quorum er ook voor de regering geen ondersteuning meer lijkt te zijn. Door
het uitblijven van goedkeuring voor het Meerjaren Ontwikkelings Programma
en de begroting voor 1999 dreigt president Wijdenbosch dan in een situatie
te komen van ‘illegaal bestuur’, zoals hij dat zelf heeft genoemd. Er zijn
inmiddels voldoende aanwijzingen dat de belangrijkste coalitiepartijen
-m.n. de NDP en de KTPI- ook afwillen van de president. In dat kader heeft
de woordvoerder van de coalitiepartijen, Dhr. Bouterse, zelfs voorstellen
voor een andere presidentskandidaat gedaan aan een commissie van het Gestruktureerd
Samenwerkingsverband. Deze kandidaten zijn (nog) niet geaccepteerd door
het GS. Er is dus sprake van een politieke patstelling in deze zaak. De
oppositie kan de eigen kandidaten niet kiezen, terwijl de coalitie tot
nu toe weinig response heeft gekregen op haar kandidaten. Het politieke
pad naar een interim regering lijkt steeds meer dood te lopen.
Verkiezingen
Het houden van verkiezingen binnen zes maanden tot een jaar wordt meer
en meer gezien als de oplossing voor de patstelling. Of de verkiezingen
tot de gewenste politieke doorbraak zullen leiden valt vooralsnog te betwijfelen.
Ten eerste dient de Nationale Assemblee zichzelf eerst te ontbinden en
de datum voor de verkiezingen te bepalen. Hiervoor is quorum en enige politieke
afstemming vooraf nodig. Wanneer men elkaar blijft dwarsbomen, of men eerst
andere agendapunten wil afhandelen kan ook deze vergadering weleens op
zich laten wachten. Ten tweede spelen er allerlei zaken mee m.b.t. de datum
van de verkiezingen. Indien die onder president Wijdenbosch gehouden worden,
zullen de meeste partijen liefst dit jaar nog verkiezingen willen. De vraag
is of dit haalbaar is en of de partijen ervoor gereed zijn? Mr. Troon,
de voorzitter van de voorbereidingscommissie van de verkiezingen, heeft
geindiceerd dat verkiezingen in 1999 technisch minder verantwoord zijn
en dat mei 2000 realistischer is. Ten derde is echter belangrijker wat
er in die tussentijd in het land en met de economie gebeurt? De economie
ziet er niet goed uit, zoals het IMF en het Seniorenadviesorgaan recentelijk
hebben aangegeven. Men kan verwachten dat bij vervroegde verkiezingen alle
aandacht naar het politieke gebeuren i.p.v. het economische zal uitgaan.
Dat betekent minder aandacht voor allerlei andere beleidszaken. De verkiezingscampagnes
van de politieke partijen zullen ook kader onttrekken aan de economie.
Na de verkiezingen duurt het vervolgens altijd een paar maanden voordat
er een nieuwe regering is, zodat nieuw beleid pas op middellange termijn
verwacht mag worden. Ten vierde is de vraag of de verkiezingsuitslag werkelijk
een verandering te zien zal geven in de politieke constellatie. Volgens
de analyse in het vorige artikel valt dit -vanuit de huidige politieke
verhoudingen- te betwijfelen, zodat we weleens een herhaling van 1996 kunnen
krijgen. Ten vijfde zal in de tussentijd de zittende regering weinig drive
kunnen ontwikkelen, omdat ze enerzijds financieel krap zit, maar anderszijds
nauwelijks meer gedragen wordt. Er is weinig kans dat de zittende president,
vice-president en ministers na de verkiezingen terugkomen. Dit kan tot
demotivatie leiden, terwijl men economisch en politiek vleugellam is. De
reshuffeling van de ministerraad die de president in mei had aangekondigd,
is nog steeds niet gerealiseerd, en wellicht de beste indicatie van afnemende
politieke slagvaardigheid. Kortom verkiezingen op korte termijn kunnen
tevens een periode van verminderde economische, ambtelijke en maatschappelijke
aktiviteiten inluiden.
Positie President
Bij alles wat er zich afspeelt is van belang wat de positie van president
Wijdenbosch thans is. Het plotselinge ontslag van dhr. Bouterse als Adviseur
van Staat, kan gezien worden als een greep naar meer politieke macht, welke
inmiddels is mislukt. Bouterse heeft zich hersteld binnen de NDP. Er zijn
schattingen dat op een bepaald moment een tiental NDP assembleeleden zich
achter de president hadden geschaard, terwijl dit inmiddels is teruggelopen
tot een stuk of drie. De president heeft de relatie met de oppositie nooit
ontwikkeld, zodat hij geisoleerd is geraakt. In feite is hij politiek wisselgeld
geworden in de huidige besprekingen tussen oppositie en coalitie. Door
de protestdemonstraties, de motie van wantrouwen van de oppositie en het
gedemonstreerde wantrouwen van NDP zijde, is hij dus politiek ernstig verzwakt.
Hij kan alleen hopen op een zo gunstig mogelijke afwikkeling van zaken
middels vervroegde verkiezingen onder zijn leiding. Dat is dan ook zijn
belangrijkste inzet geworden. Aan de andere kant speelt een voortgaande
polarisatie tussen oppositie en coalitie de positie van de president in
de hand. Oppositie en coalitie spelen nu vooral een strategisch spel om
een zo gunstig mogelijke uitgangspositie voor de verkiezingscampagnes.
De oppositie wil de coalitiepartijen en m.n. NDP voorzitter Bouterse niet
zomaar de hand reiken en neemt men de issue van het falend regeringsbeleid
wel mee naar de campagnes. Aan de andere kant willen de coalitiepartijen
geen heksenjacht en onderzoek naar corruptie door een niet bevriende interim-regering.
Dit weegt misschien wel zwaarder dan het aanblijven van de regering Wijdenbosch,
die inschikkelijker zal zijn. Een politieke patstelling in de Assemblee
werkt in het voordeel van de president, omdat hij met twee of drie aan
hem gelieerde assembleeleden besluiten kan voorkomen. Wanneer hij echter
zelf verdere politieke aspiraties heeft en een nieuwe partij zou opzetten,
zal die vooral concurreren met de NDP. In dat geval kan hij een verkiezingsgevaar
worden en zal een interim-president de NDP beter uitkomen. In ieder geval
gaat Wijdenbosch de geschiedenis in als president die de opdracht tot de
bouw van twee belangrijke bruggen gaf. Alle bijkomende zaken worden in
de loop der jaren meestal vergeten.
Tot besluit
In de afgelopen periode is er dus meer gebeurd dan zo op het eerste
gezicht lijkt. Verkiezingen, al dan niet o.l.v. de huidige president, komen
wellicht begin volgend jaar. In de aanloopfase naar de verkiezingen kunnen
de politieke verhoudingen nog behoorlijk veranderen. De kiezers zullen
dan oordelen wat zij van de ontwikkelingen vinden. Intussen zal een politieke
patstelling in de Assemblee het dagelijks leven eerder moeilijker dan makkelijker
maken.
Dr. Marten Schalkwijk, 5 juli 1999