GRONDWET, MOTIES, EN VERKIEZINGEN
De recente aanname van een motie van wantrouwen tegen de regering in
de Nationale Assemblee heeft geleid tot een levendige discussie omtrent
de consequenties daarvan. De oppositie wil gewoon overgaan tot het kiezen
van een nieuwe president en vice-president. Volgens president Wijdenbosch
kan hij niet tussentijds worden afgezet, omdat hij immers voor een periode
van vijf jaar is gekozen. De vice president heeft de motie ook naast zich
neergelegd. De NDP wil vervroegde verkiezingen, maar alleen o.l.v. de huidige
regering. Staatsrechtsgeleerden en juristen zijn het niet met elkaar eens
over de interpretatie van de grondwet. Kortom er is weer onduidelijkheid,
terwijl velen na de aanname van de motie dachten dat er juist meer duidelijkheid
geschapen zou worden. In dit artikel zal getracht worden om een aantal
belangrijke zaken rond deze kwestie op een rij te zetten, zodat er misschien
toch een duidelijke lijn gezien kan worden.
Periode van vijf jaar
In alle diskussies rond het wel of niet kunnen afzetten van de president
is de periode van vijf jaar een belangrijk punt. De president zelf heeft
zich steeds beroepen op artikel 91 van de grondwet, waarin staat dat hij
-evenals de vice-president en de Assemblee- voor "vijf jaren gekozen" wordt.
Daarna volgt echter dat de ambtstermijn "eindigt bij de beediging van een
nieuw gekozen president". Dit zou dus gelezen kunnen worden dat de ambtstermijn
normaliter vijf jaar duurt, tenzij er een nieuwe president gekozen wordt
(N.B. gekozen door de Assemblee of Verenigde Volksvergadering, omdat het
volk niet rechtstreeks de president kan kiezen). Tot voor kort was de termijn
van vijf jaar voor president Wijdenbosch bijna heilig en daar kon volgens
hem niet van worden afgeweken zonder de grondwet te schenden. Kort na aanvang
van de DNA vergadering op 1 juni jl. stuurde de president echter een verklaring
dat hij bereid was de regeerperiode in te korten. Hij zou dat doen indien
de Assemblee -conform haar grondwettelijke verantwoordelijkheid- ook haar
zittingsperiode zou inkorten, waarna verkiezingen zouden worden uitgeschreven.
De motie van de oppositie (Nieuw Front e.a. plus BVD) geeft aan dat de
president tussentijds moet aftreden en liefst zo spoedig mogelijk.
Ook de motie van de coalitie (NDP e.a.), die weliswaar niet is aangenomen,
roept op om "de regeerperiode van de president en de zittingsperiode van
het parlement op korte termijn te beeindigen" en over te gaan tot
het houden van verkiezingen. Dit betekent dat de coalitie dus ook niet
langer vasthoudt aan de periode van vijf jaar, maar daarvoor ook geen grondwetswijziging
eist. Kortom in beide moties bleken tenminste 48 van de 51 assembleeleden
(de eerste motie werd met 27 stemmen voor aangenomen, terwijl voor de tweede
motie nog eens 21 andere leden stemden ofschoon die werd verworpen) van
oordeel te zijn dat de Assemblee middels een motie de zittingsperiode van
de president kon inkorten.
Verkiezingen
De voorzitter van de NDP, Desi Bouterse, heeft op 28 mei opgeroepen
tot vervroegde verkiezingen. Dit stond ook in de motie van de coalitie,
terwijl de president dat in zijn verklaring aan de Assemblee ook aanbood.
In de motie van de oppositie was het woord verkiezingen niet opgenomen,
maar dit betekent niet dat men geen verkiezing wil. In de proclamatie resolutie
van 22 oktober 1998 van het Gestructureerd Samenwerkingsverband (GS) staat
immers duidelijk dat dit een van de drie hoofdtaken van de in te stellen
Interim-Regering (IR) behoort te zijn. Dit is herhaald in het ‘Contouren
Uitvoerings- programma van een Interim-Regering’ van december 1998, waar
expliciet staat "het voorbereiden en organiseren van algemene, vrije, en
geheime verkiezingen ...." Ook is in beide documenten helder aangegeven
dat de zittingsduur van de IR "minimaal 12 maanden zal zijn, evenwel niet
langer dan de resterende zittingsperiode van de huidige Nationale Assemblee".
Het GS is dus zeker niet tegen verkiezingen en ook niet principieel tegen
vervroegde verkiezingen. Suggesties uit de hoek van de coalitie dat de
GS geen (vervroegde) verkiezingen zou willen, zijn dus niet gebaseerd op
de feiten. Wij zouden juist kunnen zeggen dat er een grote mate van eenheid
bestaat tussen alle partijen omtrent het houden van (vervroegde) verkiezingen.
Het enige verschil is dat het GS dit kennelijk niet ziet zitten onder de
huidige president, niet omdat hij geen eerlijke verkiezingen zou kunnen
houden, maar omdat het GS vindt dat het regeringsbeleid -en daarmee de
regering- niet langer geduld kan worden. De NDP en de president vinden
dat Wijdenbosch per se de verkiezingen moet leiden. Dit komt ietwat vreemd
over, omdat de NDP-fraktie uitdrukkelijk en publiekelijk door de NDP voorzitter
(na diens herverkiezing op 28-5-1999) was opgedragen om een motie van wantrouwen
tegen de regering in te dienen en daarvoor disciplinair te stemmen. Men
zou moeten beseffen dat een motie van wantrouwen inhoudt dat de regering
naar huis moet. Thans lijkt men echter van het aanblijven van de president,
die men zelf niet meer lust, een principieel punt te maken. Deze snelle
positiewijziging dient dan ook vanuit andere gronden verklaard te worden,
waar ik in een ander artikel op terugkom.
Bevoegdheid Assemblee
Een ander punt in deze kwestie betreft de bevoegdheid van de Assemblee
om de president al dan niet te kunnen afzetten. Dit heeft te maken met
de interpretatie van de grondwet. Zo langzamerhand is wel bekend dat de
grondwet uit 1987 geen schoonheidsprijs verdient en vol onduidelijkheden
zit. Dit maakt dat er op vele punten interpretatieverschillen bestaan dan
wel ontstaan. Voor een deel komt het omdat er geen toelichting is op de
grondwet, maar voor een ander deel vanwege opzettelijke vage formuleringen.
Dit kan alleen maar begrepen worden wanneer men beseft dat de grondwet,
geen produkt van in de wet doorknede staatsrechtsgeleerden is, maar een
politiek onderhandeld document. Dit is gebeurd in de niet-gekozen overgangsassemblee
van 1985-1987, welke bestond uit representanten van het Militair Gezag,
de Vakbeweging en het Bedrijfsleven. Op de achtergrond, m.n. via het Topberaad,
speelden ook de traditionele politieke partijen een rol. Personen die toen
bij de totstandkoming van de grondwet betrokken waren, geven nu toe dat
sommige artikelen bewust vaag geformuleerd werden als een soort compromis,
waar iedereen later zijn eigen interpretatie aan kon geven. Daarom kon
er ook geen toelichting gemaakt worden. De politieke partijen waren al
blij dat men het oorspronkelijke concept, dat sterk leek op een grondwet
uit een communistisch land, in de richting van een meer democratische rechtsstaat
had kunnen ombuigen. Niet alles kon evenwel worden veranderd, zodat vele
artikelen maar gedoogd werden. Dit betekent dus dat niet gezocht mag worden
naar optimale duidelijkheid. Zulks blijkt ook het geval met de afzetting
van de president. In de oorspronkelijke tekst van 1987 kwam dat zelfs niet
voor, een kennelijk bewuste omissie. Na de telefooncoup van 1990 en het
korte tussenbestuur Kraag-Wijdenbosch in 1991, werd een afzettingsclausule
nodig geacht. De tekst in art 74a werd zodanig gewijzigd dat de Nationale
Assemblee voortaan naast het kiezen ook "het besluit tot tussentijds
doen aftreden van de President en Vice-President’ kon nemen. Die tekst
is er niet later door de drukker of iemand anders in gefrommeld. Vermeld
moet worden dat -volgens zijn toenmalige fraktiegenoot, Ernie Brunings
(in radio interview Apintie dd. 6-6-1999)- ook het NDP assembleelid Jules
Wijdenbosch mee deed aan de diskussies en voor de wijzigingen heeft gestemd.
Dat de grondwet misschien niet helemaal exact is op dit punt is dus geen
excuus, hooguit een zoveelste bron van ergernis, maar het principe van
tussentijds
aftreden, alsook dat de Assemblee daartoe de aangewezen instantie was,
is duidelijk als amendement vastgelegd. De NDP als partij, plus de assembleeleden,
waren het toen kennelijk eens met dat principe, en kunnen daar dus niet
plotseling omheen. Hetzelfde geldt voor de huidige oppositie, die ook toen
-m.n. als Frontpartijen- voor de amendementen had gestemd. Er kunnen nogmaals
interpretatieverschillen bestaan rond de exacte procedures, maar niet over
het principe, omdat dit anders inconsistent zou zijn met de toenmalige
opstelling.
Tweederde of gewone meerderheid
Een volgend interpretatiegeschil betreft de vraag of de president met
een gewone meerderheid moet worden afgezet of met een tweederde meerderheid.
Volgens de oppositie kan dit met een gewone meerderheid, omdat de grondwet
in artikel 83 lid 3 expliciet aangeeft dat een tweederde meerderheid wel
nodig is voor "het kiezen" van de President en Vice-President. De vereiste
meerderheid voor het afzetten wordt echter niet genoemd. Wel wordt in lid
2 aangegeven dat "alle besluiten van de Nationale Assemblee worden
genomen met gewone meerderheid..." behalve de expliciet genoemde uitzonderingen.
Volgens de coalitie dienen kiezen en afzetten echter steeds als geheel
te worden beschouwd en is men vergeten het afzetten hier bij te voegen
bij de amendering in 1992. Dit is niet waar, want de parlementariers die
de voorstellen tot wijziging van de grondwet moesten toelichten gaven in
meerderheid aan dat "Het doen aftreden van een president echter niet kan
worden gebonden aan een gekwalificeerde meerderheid. Imers wordt hiermede
staatsrechtelijk een sedert jaar en dag aanvaard principe, nl. dat een
regering aftreedt zodra zij niet meer steunt op een aanwijsbare meerderheid
in het parlement, ernstig aangetast." (Voorlopig Verslag Commissie van
Rapporteurs dd. 17-1-1992). Men wijst er ook op dat een president dan zelfs
zou kunnen blijven regeren zonder een meerderheid, hetgeen tot "ernstige
politieke misstanden kan en zal leiden". De Assemblee lijkt toen bewust
aan de mogelijkheid van afzetting middels een tweederde meerderheid voorbij
te zijn gegaan. Ook van deze diskussie was de huidige president op de hoogte.
Machtsoverdracht
In een recent televisie-interview (to the Point, Apintie dd.
5-6-1999) heeft president Wijdenbosch de motie van de oppositie afgewezen.
Een van de hoofdargumenten daarbij was dat hij de regeermacht (het mandaat)
niet kan overdragen aan de Assemblee, omdat hij die niet van de Assemblee
ontvangen heeft. Het begrip mandaat, dat in de motie van de oppositie is
gebruikt, slaat volgens het woordenboek op een machtiging. Indien de regeermacht
wordt opgevat als een machtiging tot regeren t.b.v. het volk, dan heeft
de motie wel gelijk, omdat de president geen rechtstreekse machtiging van
de bevolking krijgt, maar slechts via de Assemblee. In art. 55 van de grondwet
staat letterlijk "de Nationale Assemblee vertegenwoordigt het volk van
de Republiek Suriname en brengt de souvereine wil van de natie tot uitdrukking".
De Assemblee kiest verder de president en in deze zin is het dus de Assemblee
die de president machtigt tot regeren. Dit heeft echter te maken met een
diepere conceptie van onze demokratie, waar ik in een volgend artikel nader
op in zal gaan. Indien president Wijdenbosch echter bedoelt dat hij de
uitvoerende macht niet kan overdragen aan de Assemblee dan heeft hij constitutioneel
wel gelijk. De uitvoerende macht (door de president regeermacht genoemd,
art 99 grondwet) berust constitutioneel immers bij de president en niet
bij de Assemblee en die uitvoerende macht moet dus overgaan naar zijn opvolger,
de volgende president. Nu staat in de motie van de oppositie nergens dat
de uitvoerende macht aan de Assemblee moet worden overgedragen. Er staat
juist dat de ambtstermijnen van de president en vice-president zullen eindigen
"op het moment van de beediging van een nieuw gekozen president, respectievelijk
een nieuw gekozen vice-president" (conform art. 91 lid 1 grondwet). Er
ontstaat dus geen vacuum, omdat de uitvoerende macht tot dat moment in
handen van president Wijdenbosch blijft. Het enige dat de motie kennelijk
bedoelt te zeggen is dat vanwege het opzeggen van het vertrouwen de regering
beschouwd moet worden als te zijn demissionair. De Assemblee doet echter
geen poging om de uitvoerende macht naar zich toe te trekken, want dat
zou inderdaad niet constitutioneel zijn. Terzake de uitvoerende macht lijkt
er dus ook geen principieel verschil te zijn tussen de Assemblee en de
president.
Meer duidelijkheid
Tot nu toe blijkt dat zowel de oppositie als coalitie, plus de president,
het -misschien zonder zelf te beseffen- eens zijn over fundamentele zaken
zoals het inkorten van de huidige regeerperiode en het houden van vervroegde
verkiezingen. Rond de procedure zijn er wel enige verschillen in opvatting.
Terzake de bevoegdheid van de Assemblee om de president naar huis te kunnen
sturen is de wenselijkheid van de Regering en Assemblee daartoe uitdrukkelijk
aangegeven in het amendement op artikel 74a in de grondwet. Hetzelfde geldt
voor het kunnen afzetten van de president met een gewone meerderheid. De
Assemblee besloot toen dat een tweederde meerderheid niet wenselijk was,
waardoor men artikel 83 lid 3 op dit punt niet gewijzigd heeft. De toenmalige
fraktieleider van de NDP, het assembleelid Jules Wijdenbosch, was volledig
op de hoogte van de grondwetswijziging en heeft er ook voor gestemd, en
kan zich dus nu niet in een andere hoedanigheid beroepen op een andere
interpretatie. Dat geldt ook voor de partij waaruit hij voortkomt. Interpretatieverschillen
kunnen uiteraard bestaan, en er zijn staatsrechtsgeleerden die verschillende
visies in deze aanhangen, maar het hanteren van die verschillen is niet
valide wanneer men zelf in de keuken heeft gestaan van de grondwetswijzigingen.
Iemand kan zich na een hap genomen te hebben terecht afvragen of er rum
of cognac is gebruikt in een viadoe, maar dat kan moeilijk degene zijn
die met eigen ogen gezien heeft dat de kok rum op de koek schonk.
Dr. Marten Schalkwijk,
6 juni 1999