Regeringscrisis deel 2
(door: Dr. M. Schalkwijk)
 6 juni 1999

GRONDWET, MOTIES, EN VERKIEZINGEN

De recente aanname van een motie van wantrouwen tegen de regering in de Nationale Assemblee heeft geleid tot een levendige discussie omtrent de consequenties daarvan. De oppositie wil gewoon overgaan tot het kiezen van een nieuwe president en vice-president. Volgens president Wijdenbosch kan hij niet tussentijds worden afgezet, omdat hij immers voor een periode van vijf jaar is gekozen. De vice president heeft de motie ook naast zich neergelegd. De NDP wil vervroegde verkiezingen, maar alleen o.l.v. de huidige regering. Staatsrechtsgeleerden en juristen zijn het niet met elkaar eens over de interpretatie van de grondwet. Kortom er is weer onduidelijkheid, terwijl velen na de aanname van de motie dachten dat er juist meer duidelijkheid geschapen zou worden. In dit artikel zal getracht worden om een aantal belangrijke zaken rond deze kwestie op een rij te zetten, zodat er misschien toch een duidelijke lijn gezien kan worden.
 
 

Periode van vijf jaar
In alle diskussies rond het wel of niet kunnen afzetten van de president is de periode van vijf jaar een belangrijk punt. De president zelf heeft zich steeds beroepen op artikel 91 van de grondwet, waarin staat dat hij -evenals de vice-president en de Assemblee- voor "vijf jaren gekozen" wordt. Daarna volgt echter dat de ambtstermijn "eindigt bij de beediging van een nieuw gekozen president". Dit zou dus gelezen kunnen worden dat de ambtstermijn normaliter vijf jaar duurt, tenzij er een nieuwe president gekozen wordt (N.B. gekozen door de Assemblee of Verenigde Volksvergadering, omdat het volk niet rechtstreeks de president kan kiezen). Tot voor kort was de termijn van vijf jaar voor president Wijdenbosch bijna heilig en daar kon volgens hem niet van worden afgeweken zonder de grondwet te schenden. Kort na aanvang van de DNA vergadering op 1 juni jl. stuurde de president echter een verklaring dat hij bereid was de regeerperiode in te korten. Hij zou dat doen indien de Assemblee -conform haar grondwettelijke verantwoordelijkheid- ook haar zittingsperiode zou inkorten, waarna verkiezingen zouden worden uitgeschreven. De motie van de oppositie (Nieuw Front e.a. plus BVD) geeft aan dat de president tussentijds moet aftreden en liefst zo spoedig mogelijk. Ook de motie van de coalitie (NDP e.a.), die weliswaar niet is aangenomen, roept op om "de regeerperiode van de president en de zittingsperiode van het parlement op korte termijn te beeindigen" en over te gaan tot het houden van verkiezingen. Dit betekent dat de coalitie dus ook niet langer vasthoudt aan de periode van vijf jaar, maar daarvoor ook geen grondwetswijziging eist. Kortom in beide moties bleken tenminste 48 van de 51 assembleeleden (de eerste motie werd met 27 stemmen voor aangenomen, terwijl voor de tweede motie nog eens 21 andere leden stemden ofschoon die werd verworpen) van oordeel te zijn dat de Assemblee middels een motie de zittingsperiode van de president kon inkorten.
 

Verkiezingen
De voorzitter van de NDP, Desi Bouterse, heeft op 28 mei opgeroepen tot vervroegde verkiezingen. Dit stond ook in de motie van de coalitie, terwijl de president dat in zijn verklaring aan de Assemblee ook aanbood. In de motie van de oppositie was het woord verkiezingen niet opgenomen, maar dit betekent niet dat men geen verkiezing wil. In de proclamatie resolutie van 22 oktober 1998 van het Gestructureerd Samenwerkingsverband (GS) staat immers duidelijk dat dit een van de drie hoofdtaken van de in te stellen Interim-Regering (IR) behoort te zijn. Dit is herhaald in het ‘Contouren Uitvoerings- programma van een Interim-Regering’ van december 1998, waar expliciet staat "het voorbereiden en organiseren van algemene, vrije, en geheime verkiezingen ...." Ook is in beide documenten helder aangegeven dat de zittingsduur van de IR "minimaal 12 maanden zal zijn, evenwel niet langer dan de resterende zittingsperiode van de huidige Nationale Assemblee". Het GS is dus zeker niet tegen verkiezingen en ook niet principieel tegen vervroegde verkiezingen. Suggesties uit de hoek van de coalitie dat de GS geen (vervroegde) verkiezingen zou willen, zijn dus niet gebaseerd op de feiten. Wij zouden juist kunnen zeggen dat er een grote mate van eenheid bestaat tussen alle partijen omtrent het houden van (vervroegde) verkiezingen. Het enige verschil is dat het GS dit kennelijk niet ziet zitten onder de huidige president, niet omdat hij geen eerlijke verkiezingen zou kunnen houden, maar omdat het GS vindt dat het regeringsbeleid -en daarmee de regering- niet langer geduld kan worden. De NDP en de president vinden dat Wijdenbosch per se de verkiezingen moet leiden. Dit komt ietwat vreemd over, omdat de NDP-fraktie uitdrukkelijk en publiekelijk door de NDP voorzitter (na diens herverkiezing op 28-5-1999) was opgedragen om een motie van wantrouwen tegen de regering in te dienen en daarvoor disciplinair te stemmen. Men zou moeten beseffen dat een motie van wantrouwen inhoudt dat de regering naar huis moet. Thans lijkt men echter van het aanblijven van de president, die men zelf niet meer lust, een principieel punt te maken. Deze snelle positiewijziging dient dan ook vanuit andere gronden verklaard te worden, waar ik in een ander artikel op terugkom.
 

Bevoegdheid Assemblee
Een ander punt in deze kwestie betreft de bevoegdheid van de Assemblee om de president al dan niet te kunnen afzetten. Dit heeft te maken met de interpretatie van de grondwet. Zo langzamerhand is wel bekend dat de grondwet uit 1987 geen schoonheidsprijs verdient en vol onduidelijkheden zit. Dit maakt dat er op vele punten interpretatieverschillen bestaan dan wel ontstaan. Voor een deel komt het omdat er geen toelichting is op de grondwet, maar voor een ander deel vanwege opzettelijke vage formuleringen. Dit kan alleen maar begrepen worden wanneer men beseft dat de grondwet, geen produkt van in de wet doorknede staatsrechtsgeleerden is, maar een politiek onderhandeld document. Dit is gebeurd in de niet-gekozen overgangsassemblee van 1985-1987, welke bestond uit representanten van het Militair Gezag, de Vakbeweging en het Bedrijfsleven. Op de achtergrond, m.n. via het Topberaad, speelden ook de traditionele politieke partijen een rol. Personen die toen bij de totstandkoming van de grondwet betrokken waren, geven nu toe dat sommige artikelen bewust vaag geformuleerd werden als een soort compromis, waar iedereen later zijn eigen interpretatie aan kon geven. Daarom kon er ook geen toelichting gemaakt worden. De politieke partijen waren al blij dat men het oorspronkelijke concept, dat sterk leek op een grondwet uit een communistisch land, in de richting van een meer democratische rechtsstaat had kunnen ombuigen. Niet alles kon evenwel worden veranderd, zodat vele artikelen maar gedoogd werden. Dit betekent dus dat niet gezocht mag worden naar optimale duidelijkheid. Zulks blijkt ook het geval met de afzetting van de president. In de oorspronkelijke tekst van 1987 kwam dat zelfs niet voor, een kennelijk bewuste omissie. Na de telefooncoup van 1990 en het korte tussenbestuur Kraag-Wijdenbosch in 1991, werd een afzettingsclausule nodig geacht. De tekst in art 74a werd zodanig gewijzigd dat de Nationale Assemblee voortaan naast het kiezen ook "het besluit tot tussentijds doen aftreden van de President en Vice-President’ kon nemen. Die tekst is er niet later door de drukker of iemand anders in gefrommeld. Vermeld moet worden dat -volgens zijn toenmalige fraktiegenoot, Ernie Brunings (in radio interview Apintie dd. 6-6-1999)- ook het NDP assembleelid Jules Wijdenbosch mee deed aan de diskussies en voor de wijzigingen heeft gestemd. Dat de grondwet misschien niet helemaal exact is op dit punt is dus geen excuus, hooguit een zoveelste bron van ergernis, maar het principe van tussentijds aftreden, alsook dat de Assemblee daartoe de aangewezen instantie was, is duidelijk als amendement vastgelegd. De NDP als partij, plus de assembleeleden, waren het toen kennelijk eens met dat principe, en kunnen daar dus niet plotseling omheen. Hetzelfde geldt voor de huidige oppositie, die ook toen -m.n. als Frontpartijen- voor de amendementen had gestemd. Er kunnen nogmaals interpretatieverschillen bestaan rond de exacte procedures, maar niet over het principe, omdat dit anders inconsistent zou zijn met de toenmalige opstelling.
 

Tweederde of gewone meerderheid
Een volgend interpretatiegeschil betreft de vraag of de president met een gewone meerderheid moet worden afgezet of met een tweederde meerderheid. Volgens de oppositie kan dit met een gewone meerderheid, omdat de grondwet in artikel 83 lid 3 expliciet aangeeft dat een tweederde meerderheid wel nodig is voor "het kiezen" van de President en Vice-President. De vereiste meerderheid voor het afzetten wordt echter niet genoemd. Wel wordt in lid 2 aangegeven dat "alle besluiten van de Nationale Assemblee worden genomen met gewone meerderheid..." behalve de expliciet genoemde uitzonderingen. Volgens de coalitie dienen kiezen en afzetten echter steeds als geheel te worden beschouwd en is men vergeten het afzetten hier bij te voegen bij de amendering in 1992. Dit is niet waar, want de parlementariers die de voorstellen tot wijziging van de grondwet moesten toelichten gaven in meerderheid aan dat "Het doen aftreden van een president echter niet kan worden gebonden aan een gekwalificeerde meerderheid. Imers wordt hiermede staatsrechtelijk een sedert jaar en dag aanvaard principe, nl. dat een regering aftreedt zodra zij niet meer steunt op een aanwijsbare meerderheid in het parlement, ernstig aangetast." (Voorlopig Verslag Commissie van Rapporteurs dd. 17-1-1992). Men wijst er ook op dat een president dan zelfs zou kunnen blijven regeren zonder een meerderheid, hetgeen tot "ernstige politieke misstanden kan en zal leiden". De Assemblee lijkt toen bewust aan de mogelijkheid van afzetting middels een tweederde meerderheid voorbij te zijn gegaan. Ook van deze diskussie was de huidige president op de hoogte.
 

Machtsoverdracht
In een recent televisie-interview (to the Point, Apintie dd. 5-6-1999) heeft president Wijdenbosch de motie van de oppositie afgewezen. Een van de hoofdargumenten daarbij was dat hij de regeermacht (het mandaat) niet kan overdragen aan de Assemblee, omdat hij die niet van de Assemblee ontvangen heeft. Het begrip mandaat, dat in de motie van de oppositie is gebruikt, slaat volgens het woordenboek op een machtiging. Indien de regeermacht wordt opgevat als een machtiging tot regeren t.b.v. het volk, dan heeft de motie wel gelijk, omdat de president geen rechtstreekse machtiging van de bevolking krijgt, maar slechts via de Assemblee. In art. 55 van de grondwet staat letterlijk "de Nationale Assemblee vertegenwoordigt het volk van de Republiek Suriname en brengt de souvereine wil van de natie tot uitdrukking". De Assemblee kiest verder de president en in deze zin is het dus de Assemblee die de president machtigt tot regeren. Dit heeft echter te maken met een diepere conceptie van onze demokratie, waar ik in een volgend artikel nader op in zal gaan. Indien president Wijdenbosch echter bedoelt dat hij de uitvoerende macht niet kan overdragen aan de Assemblee dan heeft hij constitutioneel wel gelijk. De uitvoerende macht (door de president regeermacht genoemd, art 99 grondwet) berust constitutioneel immers bij de president en niet bij de Assemblee en die uitvoerende macht moet dus overgaan naar zijn opvolger, de volgende president. Nu staat in de motie van de oppositie nergens dat de uitvoerende macht aan de Assemblee moet worden overgedragen. Er staat juist dat de ambtstermijnen van de president en vice-president zullen eindigen "op het moment van de beediging van een nieuw gekozen president, respectievelijk een nieuw gekozen vice-president" (conform art. 91 lid 1 grondwet). Er ontstaat dus geen vacuum, omdat de uitvoerende macht tot dat moment in handen van president Wijdenbosch blijft. Het enige dat de motie kennelijk bedoelt te zeggen is dat vanwege het opzeggen van het vertrouwen de regering beschouwd moet worden als te zijn demissionair. De Assemblee doet echter geen poging om de uitvoerende macht naar zich toe te trekken, want dat zou inderdaad niet constitutioneel zijn. Terzake de uitvoerende macht lijkt er dus ook geen principieel verschil te zijn tussen de Assemblee en de president.
 

Meer duidelijkheid
Tot nu toe blijkt dat zowel de oppositie als coalitie, plus de president, het -misschien zonder zelf te beseffen- eens zijn over fundamentele zaken zoals het inkorten van de huidige regeerperiode en het houden van vervroegde verkiezingen. Rond de procedure zijn er wel enige verschillen in opvatting. Terzake de bevoegdheid van de Assemblee om de president naar huis te kunnen sturen is de wenselijkheid van de Regering en Assemblee daartoe uitdrukkelijk aangegeven in het amendement op artikel 74a in de grondwet. Hetzelfde geldt voor het kunnen afzetten van de president met een gewone meerderheid. De Assemblee besloot toen dat een tweederde meerderheid niet wenselijk was, waardoor men artikel 83 lid 3 op dit punt niet gewijzigd heeft. De toenmalige fraktieleider van de NDP, het assembleelid Jules Wijdenbosch, was volledig op de hoogte van de grondwetswijziging en heeft er ook voor gestemd, en kan zich dus nu niet in een andere hoedanigheid beroepen op een andere interpretatie. Dat geldt ook voor de partij waaruit hij voortkomt. Interpretatieverschillen kunnen uiteraard bestaan, en er zijn staatsrechtsgeleerden die verschillende visies in deze aanhangen, maar het hanteren van die verschillen is niet valide wanneer men zelf in de keuken heeft gestaan van de grondwetswijzigingen. Iemand kan zich na een hap genomen te hebben terecht afvragen of er rum of cognac is gebruikt in een viadoe, maar dat kan moeilijk degene zijn die met eigen ogen gezien heeft dat de kok rum op de koek schonk.

Dr. Marten Schalkwijk,

6 juni 1999