Politieke analyse (regeringscrisis deel 4)
(Door: Dr. Marten Schalkwijk)
15 juni 1999
 

PARLEMENTAIRE COUP, DEMOCRATIE EN DE VOLKSWIL

De politieke situatie in het land maakt steeds meer tongen en pennen los, hetgeen bevorderlijk is voor de discussie. Niet altijd is alles meer te volgen voor de burger. En helaas poneren sommige mensen stellingen waarbij je de wenkbrauwen toch even moet fronsen. Zo stelt Drs. R. Roemer dat Suriname wereldgeschiedenis maakt met de vestiging van de eerste parlementaire dictatuur, die niet veel zou verschillen van een militaire dictatuur, waarbij hij de meerderheid van de assemblee dictators noemt (DWT 10-6-1999). Betreurenswaardig is dat ook president Wijdenbosch de Assemblee beschuldigt van een parlementaire coup. Een zeer ernstige beschuldiging, maar tevens een grote vergissing, omdat er weer van wordt uitgegaan dat de president boven de Assemblee staat. In het vorige artikel zagen we echter dat de president slechts afgeleide macht bezit, daar hij niet rechtstreeks gekozen is door het volk. De Assemblee bezit meer direkte macht, maar zal over het eigen gedrag rechtstreeks verantwoording moeten afleggen aan de kiezers. De regering c.q. de president is verantwoording schuldig aan de Assemblee (art. 90 en 116 van de Grondwet). Wat echter zorgwekkender is in de eerdergenoemde uitspraken is dat men kennelijk een beperkte opvatting van democratie en soevereiniteit heeft. Daarom zal in dit artikel nog een stuk dieper gegraven worden naar de grondslagen (gronprakseri) van ons politiek bestel. Dit keer worden de democratie en de volkswil onder de loep genomen.
 

Soevereine wil
Drs. Roemer geeft in zijn artikel aan dat wat de Assemblee leden hebben gedaan (de motie van wantrouwen tegen de regering) "niets te maken heeft met de soevereine wil van het volk van Suriname. De wil van het volk wordt alleen bij verkiezingen en volksraadplegingen tot uiting gebracht." Dit getuigt niet van inzicht in de (filosofische) grondslagen van de democratie. De historicus Dr. David Thomson geeft in zijn boek ‘Political Ideas’ aan dat "de democratische doctrine van Soevereiniteit van het Volk, de wereldgeschiedenis de laatste twee honderd jaar heeft gedomineerd". Met het systeem van democratie was al vanaf de Griekse beschaving geexperimenteerd, en wellicht daarvoor in vele andere samenlevingen. De moderne democratie kreeg m.n. door het werk van de Franse politieke theoreticus Jean Jacques Rousseau een stevige basis. Hij publiceerde in 1762 zijn bekende werk "Contrat social ou Principes du droit". In de 17e eeuw werd Europa gekenmerkt door het zgn. Absolutisme: "de vorm van gezagsuitoefening en bestuur in de staat, waarbij alle daartoe nodige macht en bevoegdheid in de persoon van de vorst geconcentreerd was" (Winkler Prins Encyclopedie). De koning had dus absolute macht en beriep zich erop dat hij die direkt van God had ontvangen. De burgers hadden helemaal geen zeggenschap en waren slechts onderdanen die het bestuur van elke vorst lijdelijk moesten tolereren. Omdat niemand de vorst controleerde, was er vaak sprake van machtsmisbruik, en geen wonder dat er stromingen tegen de absolute macht van de vorst ontstonden. Zo was er een theorie van de natuurlijke rechten van de mens, waarbij de rechten en vrijheden van het individu boven elk ander gezag geplaatst werd, maar wat als grondslag voor regeren moeilijk te hanteren was. Het was Rousseau die stelde dat er naast de individuele wil van elke burger, ook een algemene wil bestond, die meer was dan de optelsom van alle individuele wilsuitingen. Wanneer burgers in een samenleving er samen toe besluiten om hun eigen wil om te zetten in een algemene wil, is dat een soort sociaal contract (ook wel maatschappelijk verdrag genoemd), waarbij een ‘moreel en collectief lichaam’ -oftewel een publieke persoon- geschapen wordt. Die publieke persoon noemde Rousseau in passieve toestand ‘Staat’, maar in aktieve toestand ‘Soeverein’, en wanneer het vergeleken wordt met anderen ‘Macht’. De publieke persoon heeft een algemene wil, en de soevereiniteit is te vinden in die algemene wil. Die algemene wil streeft het algemeen belang na en wordt ondersteund door alle burgers van goede wil. Normaliter merkt men er niet veel van, maar in tijden van crisis wordt de algemene wil wel zichtbaar "like a great surge of patriotic spirit" (als een grote opwelling van patriotisme). Rousseau claimt dat "the general will in action is sovereignty" en omdat de algemene wil uit de samenleving komt, berust de soevereiniteit niet bij een persoon of een groep, maar uitsluitend bij de samenleving. Het is deze cruciale claim die Rousseau tot een groot democratisch theoreticus heeft gemaakt, aldus Thomson in zijn boek.
 

Democratie
Het is natuurlijk mooi om op een filosofisch niveau vast te stellen dat in een samenleving de algemene (soevereine) wil van het volk de belangrijkste legitieme machtsbron is die er bestaat. Dat principe is ook letterlijk zo vastgelegd in het eerste artikel van onze Grondwet: "De Republiek Suriname is een democratische Staat gebaseerd op de souvereiniteit van het volk en op eerbiediging en waarborging van fundamentele rechten en vrijheden." De vraag is echter hoe deze soevereine wil zich vertaalt in de praktijk. Dat is nu precies waar je een grondwet, andere wetten, instituten en organen voor nodig hebt. In zeer kleine samenlevingen kunnen alle inwoners samenkomen en mondelinge besluiten nemen (bijv. tijdens een krutu in een dorp in ons binnenland), maar wanneer de samenleving groter wordt is dat niet meer te doen. In de Grondwet is daarom in artikel 55 aangegeven: "De Nationale Assemblee vertegenwoordigt het volk van de Republiek Suriname en brengt de soevereine wil van de natie tot uitdrukking. De Nationale Assemblee is het hoogste orgaan van de Staat" Hier staat dus niet dat de soevereiniteit van het volk wordt weggenomen, maar alleen dat die algemene wil door de Nationale Assemblee tot uiting wordt gebracht. Dus niet door de regering of de president. De soevereiniteit wordt dus tijdelijk gedelegeerd door de bevolking aan de gekozen volksvertegenwoordigers en het verklaart waarom de Assemblee meer macht (het hoogste orgaan) heeft dan de president. Hiermee wordt de betekenis van het begrip democratie hopelijk duidelijker. Democratie is volgens de Winkler Prins Encyclopedie immers de "staatsvorm waarbij niet individuen of groepen, maar het volk als geheel drager is van de politieke macht, wat tot uitdrukking komt in het oppertoezicht van het soevereine volk op wetgevende, uitvoerende en rechtssprekende machten door middel van de wet, waaraan alle uitoefening van gezag gebonden is. Het volk oefent het toezicht in het algemeen uit d.m.v. een gekozen volksvertegenwoordiging, de zgn. representatieve democratie." De Assembleeleden vertegenwoordigen dus tijdelijk (tussen verkiezingen in) het volk en hun handelen heeft, i.t.t. de bewering van Drs. Roemer, alles te maken met de soevereine wil van het volk. De meerderheid van de Assemblee vertegenwoordigt dus het belangrijkste deel van de algemene wil en kan dus per definitie geen coup plegen. Militairen, die geen mandaat van het volk hebben gekregen bij een verkiezing, kunnen wel een coup plegen (d.w.z. de staatsmacht gijzelen) en daarin zit een zeer groot verschil tussen een militaire dictatuur en een parlementaire democratie.
 

Publieke Opinie
Nu is met het bovenstaande natuurlijk helemaal niet gezegd dat onze Nationale Assemblee perfect werkt en dat de Assembleeleden allemaal brave volksvertegenwoordigers zijn. In de afgelopen jaren blijkt juist dat de Assemblee regelmatig gefaald heeft en dat een deel van de Assembleeleden vaker het belang van zichzelf of van een kleine groep vertegenwoordigd heeft dan het algemeen belang. Zij hebben de volkswil beschaamd, de regering nauwelijks gecontroleerd of tot de orde geroepen, en veel zaken laten liggen. Het is juist daarom dat een zeer groot deel van het volk het blijkbaar nodig geacht heeft om haar wil te tonen via de protestdemonstraties. Het volk heeft zelf de regering willen controleren en een halt toeroepen aan het beleid dat niet tot welvaart voor de massa leidt, maar slechts tot verrijking van een kleine kliek. De afstand tussen arm en rijk is de afgelopen jaren merkbaar toegenomen. Blijkens een IDOS opiniepeiling van april 1999 gaf liefst 81% van de ondervraagden te kennen dat hun financiele situatie t.o.v. de periode ervoor was verslechterd. Zoals Rousseau aangaf is het ‘moreel en collectief lichaam’ van de natie normaliter passief en laat men zaken over aan degenen die men daartoe middels verkiezingen heeft aangewezen. Af en toe komt de volkswil echter spontaan tot uiting in een crisis en de recente protestdemonstraties moeten gezien worden als een manifestatie daarvan. Volgens de laatste opiniepeiling van het IDOS (juni 1999) was niet minder dan 80% van de ondervraagden het eens met de protestdemonstraties en had 53% zelfs aktief meegedaan. Alle vakcentrales stonden achter het protest, evenals alle werkgeversorganisaties, alle advokatenorganisaties, grote delen van het Hoger Kader, universiteitsstudenten, middelbare scholieren, vele vrouwenorganisaties, vele politieke partijen, mensenrechtenorganisaties, het Forum NGO’s, etc. Zelfs de belangrijkste religieuze organisaties -Christenen, Hindoes en Moslims- spraken van bestuurlijk falen en riepen op tot nieuw leiderschap. Daarnaast deden delen van de coalitie, of hun aanhang, mee, zoals de voorzitter van de NDP zelf publiekelijk aangaf. Het aantal participanten en sympatisanten van de demonstraties bleek ook de leiding van de akties (het Gestructureerd Samenwerkings- verband) verrast te hebben. Een direktere uiting van de Surinaamse soevereine volkswil is niet denkbaar en de akties spraken dan ook luider dan een tussentijdse verkiezing. In ieder geval gaven de burgers massaal aan dat de volkswil niet beperkt is tot het roodkleuren van een stembiljet en daarna vijf jaar lang je mond houden. Jean Jacques Rousseau zou trots zijn.
 

Omgaan met de volkswil
De massa van ca. 50.000 Surinamers die op 31 mei voor het kabinet van de president stond, was geen massa die gemanipuleerd werd door de oppositie, ofschoon die dat misschien zo zou willen interpreteren. Het was een vrij spontane massa die tot uiting wilde brengen dat men het niet eens was met het beleid en de gang van zaken in het land. Degenen die deze manifestatie willen afdoen als een willekeurige demonstratie, of een onconstitutionele samenscholing, vergissen zich deerlijk. De Assembleeleden lijken in ieder geval de volkswil serieus genomen te hebben, want op 1 juni waren ze plotseling alle 51 op de vergadering aanwezig. Het feit dat de volkswil zich niet direkt tegen de Assemblee, maar tegen de regering gekeerd heeft, lijkt aan te geven dat de Assemblee een tijdelijke herkansing heeft gekregen. Dat betekent uiteraard niet dat men mag doen en laten wat men wil, want indien de volksvertegenwoordigers er niet in slagen hard te werken en de regering drastisch bij te sturen, zullen ze daarover ter verantwoording worden geroepen bij de eerstvolgende verkiezingen. De massa van 31 mei 1999 heeft in ieder geval het opkomend absolutisme falikant afgewezen. Nu we op het punt staan de 21e eeuw in te gaan, zullen wij elke vorm van en neiging tot 17e eeuws absolutisme ver achter ons moeten laten. Regering en Assemblee zijn gewaarschuwd. Het negeren van de soevereine wil van het Surinaamse volk, zal historisch fataal kunnen blijken.

Dr. Marten Schalkwijk

15 juni 1999