PARLEMENTAIRE COUP, DEMOCRATIE EN DE VOLKSWIL
De politieke situatie in het land maakt steeds meer tongen en pennen
los, hetgeen bevorderlijk is voor de discussie. Niet altijd is alles meer
te volgen voor de burger. En helaas poneren sommige mensen stellingen waarbij
je de wenkbrauwen toch even moet fronsen. Zo stelt Drs. R. Roemer dat Suriname
wereldgeschiedenis maakt met de vestiging van de eerste parlementaire dictatuur,
die niet veel zou verschillen van een militaire dictatuur, waarbij hij
de meerderheid van de assemblee dictators noemt (DWT 10-6-1999). Betreurenswaardig
is dat ook president Wijdenbosch de Assemblee beschuldigt van een parlementaire
coup. Een zeer ernstige beschuldiging, maar tevens een grote vergissing,
omdat er weer van wordt uitgegaan dat de president boven de Assemblee staat.
In het vorige artikel zagen we echter dat de president slechts afgeleide
macht bezit, daar hij niet rechtstreeks gekozen is door het volk. De Assemblee
bezit meer direkte macht, maar zal over het eigen gedrag rechtstreeks verantwoording
moeten afleggen aan de kiezers. De regering c.q. de president is verantwoording
schuldig aan de Assemblee (art. 90 en 116 van de Grondwet). Wat echter
zorgwekkender is in de eerdergenoemde uitspraken is dat men kennelijk een
beperkte opvatting van democratie en soevereiniteit heeft. Daarom zal in
dit artikel nog een stuk dieper gegraven worden naar de grondslagen (gronprakseri)
van ons politiek bestel. Dit keer worden de democratie en de volkswil onder
de loep genomen.
Soevereine wil
Drs. Roemer geeft in zijn artikel aan dat wat de Assemblee leden hebben
gedaan (de motie van wantrouwen tegen de regering) "niets te maken heeft
met de soevereine wil van het volk van Suriname. De wil van het volk wordt
alleen bij verkiezingen en volksraadplegingen tot uiting gebracht." Dit
getuigt niet van inzicht in de (filosofische) grondslagen van de democratie.
De historicus Dr. David Thomson geeft in zijn boek ‘Political Ideas’ aan
dat "de democratische doctrine van Soevereiniteit van het Volk, de wereldgeschiedenis
de laatste twee honderd jaar heeft gedomineerd". Met het systeem van democratie
was al vanaf de Griekse beschaving geexperimenteerd, en wellicht daarvoor
in vele andere samenlevingen. De moderne democratie kreeg m.n. door het
werk van de Franse politieke theoreticus Jean Jacques Rousseau een stevige
basis. Hij publiceerde in 1762 zijn bekende werk "Contrat social ou Principes
du droit". In de 17e eeuw werd Europa gekenmerkt door het zgn. Absolutisme:
"de vorm van gezagsuitoefening en bestuur in de staat, waarbij alle daartoe
nodige macht en bevoegdheid in de persoon van de vorst geconcentreerd was"
(Winkler Prins Encyclopedie). De koning had dus absolute macht en beriep
zich erop dat hij die direkt van God had ontvangen. De burgers hadden helemaal
geen zeggenschap en waren slechts onderdanen die het bestuur van elke vorst
lijdelijk moesten tolereren. Omdat niemand de vorst controleerde, was er
vaak sprake van machtsmisbruik, en geen wonder dat er stromingen tegen
de absolute macht van de vorst ontstonden. Zo was er een theorie van de
natuurlijke rechten van de mens, waarbij de rechten en vrijheden van het
individu boven elk ander gezag geplaatst werd, maar wat als grondslag voor
regeren moeilijk te hanteren was. Het was Rousseau die stelde dat er naast
de individuele wil van elke burger, ook een algemene wil bestond, die meer
was dan de optelsom van alle individuele wilsuitingen. Wanneer burgers
in een samenleving er samen toe besluiten om hun eigen wil om te zetten
in een algemene wil, is dat een soort sociaal contract (ook wel maatschappelijk
verdrag genoemd), waarbij een ‘moreel en collectief lichaam’ -oftewel een
publieke persoon- geschapen wordt. Die publieke persoon noemde Rousseau
in passieve toestand ‘Staat’, maar in aktieve toestand ‘Soeverein’, en
wanneer het vergeleken wordt met anderen ‘Macht’. De publieke persoon heeft
een algemene wil, en de soevereiniteit is te vinden in die algemene wil.
Die algemene wil streeft het algemeen belang na en wordt ondersteund door
alle burgers van goede wil. Normaliter merkt men er niet veel van, maar
in tijden van crisis wordt de algemene wil wel zichtbaar "like a great
surge of patriotic spirit" (als een grote opwelling van patriotisme). Rousseau
claimt dat "the general will in action is sovereignty" en
omdat de algemene wil uit de samenleving komt, berust de soevereiniteit
niet bij een persoon of een groep, maar uitsluitend bij de samenleving.
Het is deze cruciale claim die Rousseau tot een groot democratisch theoreticus
heeft gemaakt, aldus Thomson in zijn boek.
Democratie
Het is natuurlijk mooi om op een filosofisch niveau vast te stellen
dat in een samenleving de algemene (soevereine) wil van het volk de belangrijkste
legitieme machtsbron is die er bestaat. Dat principe is ook letterlijk
zo vastgelegd in het eerste artikel van onze Grondwet: "De Republiek Suriname
is een democratische Staat gebaseerd op de souvereiniteit van het volk
en op eerbiediging en waarborging van fundamentele rechten en vrijheden."
De vraag is echter hoe deze soevereine wil zich vertaalt in de praktijk.
Dat is nu precies waar je een grondwet, andere wetten, instituten en organen
voor nodig hebt. In zeer kleine samenlevingen kunnen alle inwoners samenkomen
en mondelinge besluiten nemen (bijv. tijdens een krutu in een dorp in ons
binnenland), maar wanneer de samenleving groter wordt is dat niet meer
te doen. In de Grondwet is daarom in artikel 55 aangegeven: "De Nationale
Assemblee vertegenwoordigt het volk van de Republiek Suriname en brengt
de soevereine wil van de natie tot uitdrukking. De Nationale Assemblee
is het hoogste orgaan van de Staat" Hier staat dus niet dat de soevereiniteit
van het volk wordt weggenomen, maar alleen dat die algemene wil door de
Nationale Assemblee tot uiting wordt gebracht. Dus niet door de regering
of de president. De soevereiniteit wordt dus tijdelijk gedelegeerd door
de bevolking aan de gekozen volksvertegenwoordigers en het verklaart waarom
de Assemblee meer macht (het hoogste orgaan) heeft dan de president. Hiermee
wordt de betekenis van het begrip democratie hopelijk duidelijker. Democratie
is volgens de Winkler Prins Encyclopedie immers de "staatsvorm waarbij
niet individuen of groepen, maar het volk als geheel drager is van de politieke
macht, wat tot uitdrukking komt in het oppertoezicht van het soevereine
volk op wetgevende, uitvoerende en rechtssprekende machten door middel
van de wet, waaraan alle uitoefening van gezag gebonden is. Het volk oefent
het toezicht in het algemeen uit d.m.v. een gekozen volksvertegenwoordiging,
de zgn. representatieve democratie." De Assembleeleden vertegenwoordigen
dus tijdelijk (tussen verkiezingen in) het volk en hun handelen heeft,
i.t.t. de bewering van Drs. Roemer, alles te maken met de soevereine wil
van het volk. De meerderheid van de Assemblee vertegenwoordigt dus het
belangrijkste deel van de algemene wil en kan dus per definitie geen coup
plegen. Militairen, die geen mandaat van het volk hebben gekregen bij een
verkiezing, kunnen wel een coup plegen (d.w.z. de staatsmacht gijzelen)
en daarin zit een zeer groot verschil tussen een militaire dictatuur en
een parlementaire democratie.
Publieke Opinie
Nu is met het bovenstaande natuurlijk helemaal niet gezegd dat onze
Nationale Assemblee perfect werkt en dat de Assembleeleden allemaal brave
volksvertegenwoordigers zijn. In de afgelopen jaren blijkt juist dat de
Assemblee regelmatig gefaald heeft en dat een deel van de Assembleeleden
vaker het belang van zichzelf of van een kleine groep vertegenwoordigd
heeft dan het algemeen belang. Zij hebben de volkswil beschaamd, de regering
nauwelijks gecontroleerd of tot de orde geroepen, en veel zaken laten liggen.
Het is juist daarom dat een zeer groot deel van het volk het blijkbaar
nodig geacht heeft om haar wil te tonen via de protestdemonstraties. Het
volk heeft zelf de regering willen controleren en een halt toeroepen aan
het beleid dat niet tot welvaart voor de massa leidt, maar slechts tot
verrijking van een kleine kliek. De afstand tussen arm en rijk is de afgelopen
jaren merkbaar toegenomen. Blijkens een IDOS opiniepeiling van april 1999
gaf liefst 81% van de ondervraagden te kennen dat hun financiele situatie
t.o.v. de periode ervoor was verslechterd. Zoals Rousseau aangaf is het
‘moreel en collectief lichaam’ van de natie normaliter passief en laat
men zaken over aan degenen die men daartoe middels verkiezingen heeft aangewezen.
Af en toe komt de volkswil echter spontaan tot uiting in een crisis en
de recente protestdemonstraties moeten gezien worden als een manifestatie
daarvan. Volgens de laatste opiniepeiling van het IDOS (juni 1999) was
niet minder dan 80% van de ondervraagden het eens met de protestdemonstraties
en had 53% zelfs aktief meegedaan. Alle vakcentrales stonden achter het
protest, evenals alle werkgeversorganisaties, alle advokatenorganisaties,
grote delen van het Hoger Kader, universiteitsstudenten, middelbare scholieren,
vele vrouwenorganisaties, vele politieke partijen, mensenrechtenorganisaties,
het Forum NGO’s, etc. Zelfs de belangrijkste religieuze organisaties -Christenen,
Hindoes en Moslims- spraken van bestuurlijk falen en riepen op tot nieuw
leiderschap. Daarnaast deden delen van de coalitie, of hun aanhang, mee,
zoals de voorzitter van de NDP zelf publiekelijk aangaf. Het aantal participanten
en sympatisanten van de demonstraties bleek ook de leiding van de akties
(het Gestructureerd Samenwerkings- verband) verrast te hebben. Een direktere
uiting van de Surinaamse soevereine volkswil is niet denkbaar en de akties
spraken dan ook luider dan een tussentijdse verkiezing. In ieder geval
gaven de burgers massaal aan dat de volkswil niet beperkt is tot het roodkleuren
van een stembiljet en daarna vijf jaar lang je mond houden. Jean Jacques
Rousseau zou trots zijn.
Omgaan met de volkswil
De massa van ca. 50.000 Surinamers die op 31 mei voor het kabinet van
de president stond, was geen massa die gemanipuleerd werd door de oppositie,
ofschoon die dat misschien zo zou willen interpreteren. Het was een vrij
spontane massa die tot uiting wilde brengen dat men het niet eens was met
het beleid en de gang van zaken in het land. Degenen die deze manifestatie
willen afdoen als een willekeurige demonstratie, of een onconstitutionele
samenscholing, vergissen zich deerlijk. De Assembleeleden lijken in ieder
geval de volkswil serieus genomen te hebben, want op 1 juni waren ze plotseling
alle 51 op de vergadering aanwezig. Het feit dat de volkswil zich niet
direkt tegen de Assemblee, maar tegen de regering gekeerd heeft, lijkt
aan te geven dat de Assemblee een tijdelijke herkansing heeft gekregen.
Dat betekent uiteraard niet dat men mag doen en laten wat men wil, want
indien de volksvertegenwoordigers er niet in slagen hard te werken en de
regering drastisch bij te sturen, zullen ze daarover ter verantwoording
worden geroepen bij de eerstvolgende verkiezingen. De massa van 31 mei
1999 heeft in ieder geval het opkomend absolutisme falikant afgewezen.
Nu we op het punt staan de 21e eeuw in te gaan, zullen wij elke vorm van
en neiging tot 17e eeuws absolutisme ver achter ons moeten laten. Regering
en Assemblee zijn gewaarschuwd. Het negeren van de soevereine wil van het
Surinaamse volk, zal historisch fataal kunnen blijken.
Dr. Marten Schalkwijk
15 juni 1999