Beleidskader, M.O.P. of Reconstructieprogramma?

Het concept reconstructieprogramma nader bekeken?

August, 1998

Het bestuur van de Vereniging van Economisten in Suriname (VES) kwam recentelijk in het bezit van een concept Nationaal Reconstructie Programma 1999-2003, dat dit jaar nog te samen met de begroting 1999 door de regering aan de nationale Assemblee ter goedkeuring zal worden voorgelegd. Terstond na ontvangst werd door de VES een werkgroep ingesteld om het document te analyseren, vooral vanwege het belang hiervan voor de toekomstige ontwikkeling van ons land. De bevindingen zullen ook worden aangeboden aan de Stichting planbureau Suriname onder wier verantwoordelijkheid het document is opgesteld.

De analyse van de VES pretendeert niet uitputtend te zijn. Er is hoofdzakelijk gefocust op hoofdlijnen van de belangrijskte beleidsgebieden. Het kritisch commentaar van de werkgroep dient louter positief te woden geinterpreteerd als zijnde een bijdrage aan de verhoging van de kwaliteit van het Meerjaren Ontwikkelingsprogramma.


Inhoud

Algemeen

Het concept MOP tegenover huidig beleid

Het planapparaat

Groei

Produktie

Het "fiscaal monetair" beleid

De overheid en het bedrijfsleven

Privatisering

Financiering

Slotopmerking


Algemeen

Bij de aanstelling van dit document is een werkwijze gevolgd die in het denken over planopstelling moet worden bestempeld als conservatief en dirigistisch. Deze conclusie is gebaseerd op het feit dat in tegenstelling tot de voorbereidingen voor het vorige MOP niet of nauwelijks de relevante maatschappelijke groeperingen of zelf deskundigen van de vakministeries zijn geconsulteerd.

Deze werkwijze is volledig in strijd met de door de President van de Republiek Suriname gepropageerde ontwikkelingsvisie van Duurzame Menselijke Ontwikkeling een conceptie ontwikkeld door de Verenigde Naties, waarvan èèn van de belangrijkste peilers is dat planopstelling middels consultatie van zoveel mogelijke groeperingen tot stand dient te komen. Dit is immers de enige garantie om het plan geaccepteerd te krijgen door brede lagen van de bevolking. Het is ook de enige manier om ruime ondersteuning te krijgen voor uitvoering daarvan.

De door de opstellers gehanteerde werkwijze doet denken aan de planopstelling in vroegere communistische staten waarbij een centraal Planorgaan geheel zelfstandig het recept voor ontwikkeling van de economie voorschreef.

Ook moet opgemerkt worden dat de effectiviteit van de uitvoering van een M.O.P. maximaal kan worden gerealiseerd in een stabiele macro-economische omgeving. Het feit dat momenteel hiervan geen sprake is, betekent een ernstige ondermijning voor de succesvolle uitvoering van elk ontwikkelingsprogramma. De vraag moet hier worden gesteld of niet zinvoller is om eerst een Structureel Aanpassingsprogramma uit te voeren.

De benaming van het document laat veel ruimte voor verwarring t.w. concept beleidskader, Meerjaren Ontwikkelingsplan en tegelijkertijd Nationaal Reconstructie-programma.Het is overduidelijk dat een beleidskader wezenlijks anders is dan een plan of een programma. Ook de toetsingscriteria voor een beleidskader, een ontwikkelingsprogramma en een reconstructie-programma zijn aanmerkelijk verschillend. Overigens wordt de term reconstructie-programma over het algemeen gebruikt indien er sprake is van herstelinspanningen na een zware economische crisis, natuurramp of oorlog.

Bij gebruik van de benaming Reconstructie-programma zou het daarom nuttig zijn een beeld te schetsen van de crisis, de oorzaken ervan en de maatregelen om daaruit te geraken.

Door de Grondwet is de regering van Suriname gehouden om vijfjaarlijks een Meerjaren Programma in te dienen bij de Nationale Assemblee. In deze evaluatie is in navolging van de Grondwet, de benaming Meerjaren Ontwikkelingsprogramma gehanteerd.

Zonder te verwijzen naar literatuur terzake kan eenvoudig aangegeven worden wat verwacht mag worden van een ontwikkelingsprogramma. Hiernavolgend een overzicht van de minimale voorwaarden waaraan een ontwikkelingsprogramma zou moeten voldoen:

Het gepresenteerde concept MOP voldoet helaas aan geen van de bovenvermelde voorwaarden waardoor het zelf als eerste concept als ondermaats moet worden beschouwd. Storend is bovendien het gebruik van een quasi-economische terminologie zoals: "de monetair-neutrale financiering van de betalingsbalans" en het zogenaamde "fiscaal-monetair beleid".



Het concept MOP tegenover huidig beleid

Veel van de maatregelen opgenomen in het concept MOP staan haaks op het reeds ingezette beleid van de regering Wijdenbosch. Dit geeft aanleiding om een eventuele committering van de regering aan het in het MOP geformuleerde beleid sterk in twijfel te trekken. Ter illustratie van het bovenstaande kan de volgende opsomming worden gemaakt. De belangrijke rol die het kader volgens het stuk moet worden toebedeeld bij de ontwikkeling van ons land blijkt niet uit het tot dusver gedemonstreerde handelen van de regering. Zoals eerder aangegeven is het MOP zelf, zonder betrokkenheid van het daarvoor getrainde en betaalde kader bij de overheid, tot stand gekomen. De bouw van de bruggen over de Coppename- en de Suriname rivier is een centraal thema van het huidig beleid en zal in de planperiode een groot beslag leggen op de overheidsuitgaven en de deviezenpositie van de staat. Opmerkelijk is dat helemaal geen aandacht wordt geschonken aan deze belangrijke activiteit en de verwachte spin-off effecten daarvan. Het is goed gebruik dat dergelijk grote infrastructurele investeringen duidelijk worden ingekaderd in een ontwikkelingsprogramma. Herhaaldelijk wordt in het stuk gepleit voor het naleven van budgettaire discipline, terwijl het huidige overheidshandelen daaraan in tegenstrijd is. Aangehaald is dat bedrijven die een voortrekkersrol vervullen binnen de productiesector en als catalysator dienst doen, volledig binnen de boezem van de staat moeten functioneren. Het betreft hier staatsbedrijven in ondermeer de de strategische nutsvoorzieningen, waaronder bedrijven voor energie en waterdistributie. Hoewel over de validiteit van deze stelling nog een zinvolle discussie gevoerd kan worden blijkt de contradictie met het thans gevoerde beleid aangezien het als bekend mag worden verondersteld dat een belangrijk deel van de energie-opwekking zal worden geprivatiseerd en nog wel los van de in het stuk gepropageerde pragmatische privatiseringsacties die zouden moeten plaatsvinden.

Met nadruk wordt in het document het belang van de sector onderwijs aangehaald: "Als in ons land onderwijs niet wordt aangepakt, zullen wij als land achter ontwikkelingen aan blijven sukkelen". Een stelling die zeker onderschreven dient te worden. Echter geruigt het feit dat het Ministerie van onderwijs reeds geruime tijd een (gekwalificeerde) minister moet ontberen, van grove onverschilligheid jegens deze sector en dit terwijl de rest van de wereld er van doordrongen is dat de werkelijke motor voor ontwikkeling goed onderwijs is. Helaas zijn de door de IDB geformuleerde aanbevelingswaardige suggesties over deze sector minimaal tot hun recht gekomen in het concept M.O.P. Huisvesting als belangrijke peiler onder het huidige beleid is marginaal behandeld geworden. Wel duikt onder het hoofdstuk armoedebestrijding uit het niets een lijst van actiepunten die de woningnood van de lagere inkomensgroepen betreft. De benodigde kritische bespreking van zaken die zowel nationaal als internationaal bekend zijn zoals: financiering, duurzaamheid, prijszetting en inistitutioneelkader blijven helaas achterwege. Vanaf het aantreden van de huidige regering is door de president een volledige afwijzing van elk aanpassingsprogramma uitgesproken. Op pag 16 van het MOP staat echter: "Het gaat om de toepassing van een samenhangend en evenwichtig pakket van beleidsmaatregelen in de financiele en in de reele sfeer om de vraag naar en het aanbod van goederen en diensten op een zo hoog mogelijk niveau van operationalisering met elkaar te synchroniseren. Deze inspanningen moeten worden gecompleteerd met hervorming van de financiele sector door o.a. herstructurering, sanering, privatisering en versterking van de staatsbanken en wijziging van de bancaire wetgeving". Deze omschrijving kan niet anders geinterpreteerd worden dan als aanbeveling voor de uitvoering van een structureel aanpassingsprogramma. Een aanbeveling die ook op andere pagina's wordt gedaan. Gegeven de huidige economische instabiliteit moet deze suggestie overigens als aanbevelingswaardig worden bestempeld.

Het MOP schrijft voor een inkomensbeleid te ontwikkelen waarbij een zo gunstig mogelijke koppeling bereikt wordt tussen belonings- en productieniveaus. Over dit uitgangspunt op zich valt weinig aan te merken. Het momenteel geintroduceerde loonbeleid gaat echter uit van strategische groepen die worden geidentificeerd aan de hand van het belang dat de regering hecht aan het functioneren van een doelgroep. Tot welke willekeur en verstoring van de arbeidsmarkt dit heeft geleid is genoegzaam bekend en een voorgenomen beleidsombuiging op dit vlak is dan ook toe te juichen.



Het Planapparaat

Het wekt bevreemding dat naast de Stichting Planbureau Suriname, die door de vorige regering was ontlast van haar ontwikkelingssamenwerkingstaken teneinde zich volledig toe te leggen op planactiviteiten, een tweede planningsinstituut zal worden gecreerd met taken vrijwel identiek als die van het bureau zelf. Het is de vraag of het Planbureau zich bewust is van het feit dat hierdoor haar bestaansrecht volledig teniet wordt gedaan. Het verdient aanbeveling om het planbureau met zijn jarenlang moeizaam opgebouwde infrastructuur aan een gedegen evaluatie te onderwerpen en de positie en de taakstelling van dit buerau op moderne principes te herformuleren. Vast staat dat een Planbureau zal moeten dienen als expertise-instituut van de regering met een hoge mate van intellectueel gezag. In meer ontwikkelde landen is bewezen dat een dergelijk instituut dit gezag alleen kan doen gelden indien het geleid wordt door personen die zelf beschikken over een hoge mate van initellectuele integriteit en autoriteit. Het is een misvatting om te denken dat het gezag verkregen kan worden door het direct onder de predident van de republiek te doen ressorteren.

Het handhaven van een planbureau zonder gezag betekent verspilling van menskracht en geld. Over het daarnaast nog creeren van een Centraal Plan Instituut met dezelfde taakstelling is dan nog niet gesproken.



Groei

Er wordt een groei van 5% geprojecteerd, die niet onderbouwd wordt met duidelijke aannames en een economisch model. Het gebruik van een dergelijke projectie heeft geen enkele waarde indien niet cijfermatig kan worden aangegeven hoe deze groei tot stand zal moeten komen. Groei is immer geen maatregel maar de resultante van maatregelen. Op geen enkele wijze is verder aangetoond hoe de begrotingssituatie gedurende of na de planperiode eruit zal zien, de betalingsbalanspositie en de verdeling van inkomens. Aannemelijker zou zijn indien binnen het raamwerk van een simpel economisch model werd aangegeven hoe de economische parameters zich zouden ontwikkelen, hoe de maatregelen doorgevoerd zouden worden en welke neveneffecten verwachtbaar zijn bij een dergelijke groei. Voor een groei percentage van vijf zullen ongetwijfeld offers gebracht worden en het getuigt van slecht bestuur om hiervan geen openheid te geven.



Productie

Aan de particuliere productie wordt heel summier aandacht besteed.

Wat de productiesectoren betreft is het opvallend dat geen aandacht is besteed aan tenminste de prioritaire sectoren zoals landbouw en mijnbouw. Aangezien de overheid de sterke hand heeft in deze sectoren is het essentieel dat aangegeven wordt hoe het beleid t.a.v. deze sectoren in de toekomst eruit zal zien, wat de rol van de overheid zal zijn, welke investeringen er gepleegd zullen worden en weke bijdrage verwacht mag worden van deze sectoren aan de geprojecteerde groei.

Op pagina 24 worden diverse beleidsmaatregelen genoemd die de particuliere productie moeten bevorderen. Een van deze maatregelen is de opstelling van een model waarbij de kredietrente naar een acceptabel niveau zal worden teruggebracht en de beleggingsrente hoger zal liggen. Over het model wordt verder niets gezegd. Naar onze mening speelt hier een monetair vraagstuk dat in dit rijtje niet thuishoort. Een lage rente is een wenselijke zaak, maar zal slechts gerealiseerd kunnen worden in een situatie van lage inflatie, die op haar beurt de consequentie is van een gezond budgettair en monetair beleid.

Een lage rente is volgens de economische theorie geen op zich zelf staand economisch doel, maar het gevolg van -of beter- de beloning voor een effectief anti-inflatiebeleid.

Realisatie van deze doelstelling zal een drastische ombuiging van het huidige beleid op budgettair en monetair gebied met zich meebrengen, omdat de ernstige ontsporing op deze gebieden geleid heeft tot een forse toename van de inflatie, die een opwaartse druk op de rente begint uit te oefenen. Toename van de inflatie leidt nl. Tot hogere rente eisen van beleggers om een mogelijk vermogensverlies te voorkomen, waardoor de kredietrente omhoog wordt gestuwd.

Eveneens ten onrechte is onder de beleidsmaatregelen ter stimulering van de particuliere productie opgenomen de invoering van een zeer laag tarief van 5% (tevens eindheffing) voor rente-inkomen met inning via het bankwezen. In het kader van de stimulering van de produktie is een belasting op beleggingsinkomsten juist geen incentive, omdat het niet verwachtbaar is dat een belasting het sparen zal stimuleren. Hierdoor zullen juist minder financieringsmiddelen voor het ondernemend bedrijfsleven beschikbaar komen. Een aanbevelingswaardige incentive zou juist moeten zijn een zekere fiscale vrijstelling van inkomsten uit beleggingen en effecten/aandelen, zodat meer financieringsmiddelen kunnen vrijkomen. Opvallend is dat in het gehele document niets gezegd is over de stimulering van de Surinaamse effectenbeurs evenals die van de opkomst van financiele markten gericht op bevrediging van specifieke behoeften van diverse categorien ondernemers.

Een andere beleidsmaatregel betreft de voortzetting van de creatie van produktie- en landbouwfondsen door de Centrale Bank van Suriname.

Hoewel wordt onderkend dat er specifieke financieringsmodaliteiten voor het producerend bedrijfsleven moeten worden opgezet, moet dit model resoluut worden afgewezen zoals ook is geschied door het IMF en de Wereldbank in hun recente rapporten over de Surinaamse economie. Deze instellingen suggereren om deze produktiefondsen buiten de Centrale Bank op te zetten, bijvoorbeeld via een onafhankelijk investeringsfonds, waarbij het (rente-) subsidie element duidelijk zichtbaar tot uitdrukking komt op de overheidsbegroting.

Deze fondsen m.n. het PIF en het Agrarisch Produktiefonds hebben geen duidelijk positief effect gesorteerd terwijl de allocatie op onduidelijke, niet bedrijfs-economische grondslag heeft plaatsgevonden. Verder heeft via deze kredietverlening, gefinancierd middels kort lopende buitenlandse leningen, een flinke monetaire verruiming plaatsgevonden met sterke inflatoire impulsen. De kredieten die het commerciele bankwezen in Suriname verstrekt (geld creatie) zijn gefund uit lokale besparingen (geldvernietiging) waardoor er sprake is van monetaire neutraliteit. Dit geldt juist niet voor de door de C.B.v.S. geintroduceerde zogenaamde produktiefondsen, omdat het proces van geldvernietiging buiten Suriname heeft plaatsgevonden, terwijl de geldcreatie zeker bij binnenlandse aanwending hier te lande geschiedt. In het rapport wordt overigens ten onrechte op pag 17 beweerd dat de algemene banken in Suriname boven hun kredietplafond zouden zitten hetgeen teruggedrongen zou moeten worden.

Er zal dus naar effectieve en monetair minder schadelijke alternatieven moeten worden uitgekeken.

Een pluspunt in het MOP is de aangekondigde herziening van het ontslagdecreet D39 en D39a. Afschaffing van dit decreet is wenselijk hetgeen zal leiden tot verhoging van de flexibiliteit van de arbeidsmarkt en verbetering van het investeringsklimaat in ons land.

In het hoofdstuk over de partikuliere produktie is voorts te lezen dat de facilitering van beginnende en andere potentiele ondernemers middels opleiding, toegang tot krediet en managment vaardigheden, waarbij de balans van de etnische representatie niet uit het oog verloren mag worden. De vraag die zich hierbij opdringt is wat precies onder etnische representatie moet worden verstaan, welke beoordelingscriteria ter toetsing zullen worden toegepast, hoe en door wie dit zal plaatsvinden. In onze etnisch pluriforme samenleving is dit een zeer zorgwekkende ontwikkeling. Deze stelling moet daarom als misplaatst, irrelevant en onverantwoordelijk beschouwd worden.



Het "fiscaal monetair" beleid

Hoofdstuk 3.5 van het concept MOP geeft inzicht in het te voeren "fiscaal mmonetair" beleid. Het is de vraag of de auteurs van dit document voldoende hebben nagedacht over de betekenis van deze term Kennelijk bestaat er een misvatting over de vertaling van wat in het Engels wordt genoemd fiscal policy.

Het in het Engels gebruikte "fiscal" heeft namelijk niet dezelfde betekenis als het Nederlandse "fiscaal". Het eerste refereert immers naar het financiele overheidsgebeuren in het algemeen, terwijl het tweede specifiek betrekking heeft op belastingen; een veel engere betekenis. Kennelijk wordt bedoeld het overheids financieel- en monetair beleid, aangezien hier een link tussen bestaat nl., de overheidsfinanciering. Het feit dat deze twee beleidsgebieden in een adem worden behandeld in plaats van duidelijk gescheiden, suggereert een afhankelijke rol die de Centrale Bank wordt bedacht ten opzichte van de centrale overheid, hetgeen krachtig moet worden afgewezen. Het is namelijk empirisch bewezen dat hoe onafhankelijker de Centrale Bank van een land zich opstelt tegenover de regering, hoe beter de resultaten op het gebied van inflatiebestrijding zijn.

Verder wordt op pag 16 gesteld dat de betalingsbalans in de afgelopen vier jaar na de wisselkoersaanpassing in 1994 in feite structureel ongeweizigd is gebleven. Dit is pertinent onwaar indien wordt bedacht dat er voor 11 juli 1994 -net zoals nu- sprake was van een overgewaardeerde marktkoers, wat een impliciete exportbelasting inhoudt. Toen op 11 juli 1994 het meervoudig wisselkoerssysteem werd vervangen door een uniforme marktkoers voor de gehele economie was er zichtbaar sprake van een verminderde inport en een verhoogde export met als resultaat een verbeterde handelsbalans (in mnl US$):

Saldo Handelsbalans in US$
1993 84.4
1994 100.0
1995 123.0
1996 -1.6
1997 n.b.


De verbeterde handelsbalans in 1995 is het resultaat van een marktconforme wisselkoers, terwijl het tekort in 1996 moet worden toegeschreven aan een geleidelijk aan overgewaardeerd geraakte wisselkoers bij enorme koop-krachtversterking van het publiek als gevolg van forse loonrondes bij prijsstabiliteit. Dit had als gevolg een inhaalvraag door gezinnen en bedrijven naar import goederen voor zowel consumptie als produktiedoeleinden. Mogelijk is het tekort in 1997 nog groter vanwege het aanhouden van de overgewaardeerde Sf 396/406 koers voor de US$, wat tegelijk een importsubsidie en een exportbelasting vertegenwoordigt. Het is daarom erg bevreemdend dat de rode draad die door het macro-economisch beleid loopt produktie en met name exportverhoging is. Ook de opmerking dat het tekort op de dienstenbalans terug is, is niet correct omdat het tekort op deze balans van structurele aard is (het laatste toevallige overschot was in 1987!).

Wat de wisselkoerspolitiek betreft lijkt een vastgestelde bandbreedte van 15% tussen de officiele en de parallelkoers niet consistent met het inflatiedoel van 5% op jaarbasis. Immers, een koersstijging in een kleine open economie als de Surinaamse geeft een bijna evenredige prijsstijging, terwijl een koersdaling vaak een minder evenredige prijsdaling geeft, dus netto koopkracht verlies.

Overigens is een bandbreedte van 15% in het wisselkoersbeleid in strijd met de convergentiecriteria opgesteld door de Raad van Centrale Bank presidenten van de Caricom lidstaten. Het doel van deze criteria is om de Caraibische economieen stabieler en in lijn met elkaar te brengen teneinde te geraken tot een Caraibische Monetaire Unie naar analogie van de Europese Monetaire Unie. Deze criteria zijn: een monetaire reserve van drie maanden import over de periode van een jaar, een stabiele wisselkoers (bandbreedte 3.0%) voor minstens 36 maanden en een debt-service ratio lager dan 15%

De overheid en het bedrijfsleven

Het MOP etaleert te weining een consistent uitgewerkte visie over de moderne rol van de staat en de private sector, aangevuld met actiepunten en prioriteiten, hoewel op pagina 12 is aangegeven dat de rol van de staat aan een herorientatie zal moeten worden onderworpen.

Binnen het geheel van de nieuwe inkadering van de rollen van de overheid en het bedrijfsleven moet nog opgemerkt worden dat als complicerende factor in de Surinaamse praktijk er bovendien ook nog enkele zgn. Task Forces door de overheid zijn ingesteld. Hierbij zijn wettelijk aan instituties toegekende bevoegdheden onttrokken en bij de Task Forces gedeponeerd. Deze "werkarmen" zijn overigens niet bij wet ingesteld. Ondersteuning voor de overheid kan middels de gebruikelijke vorm van werken met commissies of adviescolleges met veelal een wettelijke basis zoals via beschikkingen. Bovengestelde omtrent Task Forces zorgt voor een juridisch onduidelijk mozaik, reden te meer voor sanering van het overheidsgebeuren.

De moderne visie is dat de overheid een stimulerende en faciliterende rol moet vervullen naar de private sector toe. Dit is ook zo gesteld in het MOP. Verder wordt aangegeven dat "de verhoging van de produktie zal worden gebaseerd op een dominante particuliere ector". Het is dan ook de hoogste tijd om naar het bedrijfsleven te luisteren en met het bedrijfsleven samen te werken. Teveel wordt hier vanuit de overheid slechts lippendienst aan bewezen terwijl in de parktijk vaak het bedrijfsleven genegeerd wordt. Het gaat in deze niet alleen om het trekken van het bedrijfsleven in verband met opzet en functionering van de Sociaal Economische Adviesraad, maar om regelmatig constructief overleg inzake aangelegenheden die het bedrijfsleven regarderen.

In haar rapport over de Surinaamse economie van maart 1998 beschrijft de Wereldbank de moderne rol van de overheid, welke zich veelal tot de volgende verantwoordelijkheidsgebieden beperkt: handhaven van wet en recht, streven naar macro-economische stabiliteit, milieubeheer, en voorzien in de behoeften aan infrastructuur, primair onderwijs en gezondheidszorg. Andere activiteiten worden aan de particuliere sector over gelaten. Het zwaartepunt bij de overheid verschuift daarmee van het voorzien in werkgelegenheid t.b.v. vaak politieke doeleinden naar het uitvoeren van haar kernactiviteiten op economisch efficiente wijze.

De Wereldbank geeft in een hoofdstuk over het investeringsklimaat aan dat op dit gebied in ons land flink wat verbeterd moet worden.Teveel geldt het adagium dat alles is verboden tenzij specifiek is toegestaan. Hieruit vloeit dan voort een overdaad aan controlesystemen, waarbij regels niet transparant zijn en ook niet eenduidig worden toegepast. Niet alleen is dit schadelijk voor het bedrijfsleven, het bevordert tevens mogelijkheden voor corruptie en stimuleert ook geen nieuwe initiatieven. Voor verbetering van het ondernemersklimaat zullen er maatregelen moeten worden getroffen op het terrein van handel, investeringen (de huidige investeringswet uit 1960 tezamen met onnoemelijk veel bureaucratie ontmoedigt zowel lokale als buitenlandse investeerders), en infrastructuur, waarbij het opheffen van barrieres m.b.t. de internationale handel momenteel de hoogste prioriteit zou meten hebben.

Het is te betreuren dat veel van de door de Wereldbank gedane suggesties in het MOP niet danwel nauwelijks aan bod komen.

Privatisering

De betreffende paragraaf in het MOP bevat vele nuttige zaken, die zeer zeker de moeite waard zijn, al is e.e.a. slechts summier beschreven. Duidelijk blijkt dat de regering bij onderhavige issue "... een integrale aanpak voorstaat vanuit een centrum voor de privatisering van staatsbedrijven".

Het Wereldbank rapport gaat meer gestructureerd en gedetailleerd in op deze materie en stelt dat de opties voor de overheid t.a.v. privatiseren in twee categorieen kunnen worden ingedeeld. In de eerste plaats een benadering van geval tot geval, en ten tweede een benadering vanuit een geintegreerd nationaal program. De eerste optie is makkelijker om mee te beginnen maar is op langer termijn minder efficient. Bovendien creeert deze methode onzekerheid bij de arbeiders waardoor weerstand vanuit deze hoek niet uitgesloten is. Een nationaal privatiseringsprogramma daarentegen, zal alle overheidsbedrijven dienen te omvatten en samenbrengen in een samenhangende en geintegreerde strategie. Hierin moeten ook worden opgenomen de opzet van een juridisch kader met bijbehorende procedures en voorschriften, de ontwikkeling van een financieel plan, maatregelen m.b.t. participatie van werknemers en een uitgebreide voorlichtingscampagne.

Het is belangrijk dat alle belanghebbenden vertrouwd raken met de issues die hierbij spelen, en dat er consensus over deze issues en de te nemen stappen verkregen wordt. Het privatiseringsprogramma kan worden uitgevoerd in vier tot vijf jaar, waarbij een daartoe opgericht centrum aan alle vereiste activiteiten coordineert. De bevoegdheden van het uitvoerend bureau dienen middels een algemene privatiseringswet te worden geregeld. Verder geeft de Wereldbank aan dat de overheid op dit beleidsgebied technische en financiele ondersteuning van donoren kan verkrijgen. Daarbij moet in het oog gehouden worden dat privatisering meestal samen gaat met onwikkeling van de lokale geld- en kapitaalmarkt. Alhoewel e.e.a. zoals reeds gesteld beknopt in het MOP is weergegeven gaan wij ervan uit -conform het hierboven geciteerde- dat de Surinaamse overheid voor de tweede optie heeft gekozen nl. Die van een geintegreerd nationaal program. Als een van de doelen van privatisering wordt dan op pagina 22 genoemd de "Hantering van een overzichtelijk en betrouwbaar proces", waarbij als beleidsmaatregelen zijn aangegeven:

"1. vastlegging van criteria voor toelating van aanbiedingen en voor toewijzing,

hantering van het gesloten enveloppe systeem, en

opstelling van uniforme regelgeving voor privatisering en verschaffen van openbaarheid van besluitvorming".

Dit zijn mooie beleidsintenties maar de praktijk tot nog toe is anders gebleken: nog voordat er beleid op dit stuk is geformuleerd en bekrachtigd door de DNA worden in bepaalde gevallen reeds verregaande daden gesteld t.a.v. privatisering van staatsbedrijven. Deze regering heeft dus -contrair aan het MOP- tot nog toe in de praktijk een benadering van geval tot geval gevolgd, en dan nog op zodanige wijze dat zij grote groepen, ook die met een strategische betekenis, tegen zich in het harnas heeft gejaagd.



Financiering

Het sluitstuk van elk geloofwaardig plan is de Financieringsstrategie. Het is evident dat Suriname over onvoldoende besparingen beschikt om zelfstandig haar ontwikkelingsprogramma te kunnen financieren. Een financieringsplan zal moeten aangeven welke en hoeveel additionele middelen gemobiliseerd zullen moeten worden en welke verplichtingen hier tegenover staan. Dit overzicht vormt eveneens de grens van het mogelijke. Zonder een beeld van de kosten en financiering is het programma slechte een opsomming van wenselijkheden die onbeperkt kan worden aangevuld maar steeds verder van de realiteit afdrijft.

Het is dan ook in hoge mate te betreuren dat geen cijfermatige onderbouwing heeft plaatsgevonden van het MOP waardoor het ook niet mogelijk is om een beeld te geven van de financiering hiervan. Het is een absolute vereiste bij elk programma.

Slotopmerking

Het concept Meerjaren Ontwikkelingsprogramma voldoet zoals uit de analyse blijkt, duidelijk niet aan de eisen die normaliter aan een dergelijk document moet worden gesteld. Het is aan te bevelen om de bruikbare delen van dit document te lichten en als input te doen dienen voor verdere diskussie.

De exercitie om te komen tot een deugdelijk MOP dient echter opnieuw gestart te worden waarbij consultatie op een breder vlak een absolute noodzaak is, temeer daar duidelijk is dat de overheid kampt met een ernstig tekort aan gekwalificeerd kader. Het MOP is geen zaak van de regering of de overheid alleen. Het MOP behelst de gehele Surinaamse samenleving.

Redactiecommissie; Vereniging van Economisten in Suriname (VES)