Memre Moiwana

 

Moiwana'86 mensenrechtenorganisatie Suriname

Mensenrechtenorganisatie Moiwana'86 (M86) is genoemd naar de gebeurtenissen die 
aanleiding is geweest om haar op te richten: de slachting onder de 
burgerbevolking van Moiwana door het nationaal leger op 29 november 1986.
Zij is een in Suriname ingeschreven stichting die zich ten doel stelt "in geheel 

Suriname de naleving van internationale standaarden inzake mensenrechten, in het 

bijzonder burger en politieke rechten te bevorderen" (art.2 van de statuten).

Daarom houdt M86 zich bezig met:

het documenteren en onderzoeken van mensenrechten, 

hier ruchtbaarheid aan geven, 

deze voorleggen aan de autoriteiten en hun zonodig wijzen op hun 

verantwoording in deze, 

verlenen van hulp aan slachtoffers, 

het bevorderen van belangstelling voor naleving en bescherming van 

mensenrechten en het publiek, onderwijsinstellingen, beroepsgroepen, 

maatschappelijke organisaties en individuele personen daarbij betrekken. 

Moiwana'86 laat zich niet leiden door overwegingen van politieke opportuniteit, 

maar baseert zich op internationaal aanvaarde instrumenten op het gebied van de 

rechten van de mens, zoals deze zijn ontwikkeld in het kader van o.a. de 

Verenigde Naties en de Organisatie van Amerikaanse Staten. De Republiek Suriname 

is lid van beide organisaties.

De eerste druk vloog de winkels uit. Moiwana'86 vond een tweede druk nodig 

hoewel dit boekje gaat over gebeurtenissen die al enige tijd achter ons liggen. 

Vandaag de dag bestaat de neiging bij velen om te doen alsof de periode van 

ernstige mensenrechtenschendingen nu toch wel grotendeels achter de rug is. Wij 

wijzen op het feit dat deze periode niet afgesloten kan worden als de misdaad 

nog loont.niet om de sfeer te verpesten maar om u het ware karakter van de 

maatschappelijke verhoudingen in het Suriname van vandaag te tonen. Dat het 

afgelopen jaar zich geen ernstige schendingen hebben voorgedaan komt omdat de 

positie van de belangrijkste verantwoordelijken daarvoor niet in gevaar gebracht 

is.

De zelfcensuur is inmiddels zo ingeburgerd dat men het zich vaak zelf niet 

realiseert. 

Sommige misdaden kunnen nog steeds niet vervolgd worden. 

Sommige mensen kunnen nog steeds niet ter verantwoording geroepen worden. 

Wetten en regels gelden nog steeds niet voor iedereen. 

Die situatie is op zichzelf de ernstigste schending van de rechten van de mens

En wie dit een te negatieve kijk op de huidige situatie vindt moet zich maar 

eens afvragen hoe het komt dat als Bouterse eindelijk doet wat hij al veel 

eerder had moeten doen - ontslag nemen uit het leger- het hele land in angstige 

spanning afwacht wat hen nu weer boven het hoofd hangt. De vluchtelingenkampen 

aan de Franse kant worden gesloten, maar de terugkeer naar Suriname ging onder 

de soms grote druk. De wonden zijn geslagen en een groot deel van de 

slachtoffers zal niet kunnen berusten in de situatie dat zij met een afkoopsom 

teruggestuurd kan worden naar de woestenij waar eerst hun woonplaats was en waar 

zij zoveel dierbaren en dierbaars zijn verloren.

We kunnen het hier niet bij laten. Niet uit wraak of vergelding, maar om elkaar 

recht in de ogen te kunnen kijken en het geloof in de rechtsstaat te 

ontwikkelen.

December '92

In deze publikatie wordt in navolging van het gebruik in het Engels het begrip 

marron gebruikt in plaats van bosneger of boslandcreool.

Behalve gegevens uit de M86-documentatie zijn de navolgende bronnen 

geraadpleegd:

1.Flight from Suriname- Refugees in French Guiana, United States 

Committee for Refugees, Joseph Cercuone, Washington DC, Februari 1987

2.Verslagen van de Inter-American Commission on Human Rights, Washington 

DC, 1988

3.Verslag van de United Nations Committee on Human Rights, Geneva, 1988

4.SURINAME - Schendingen van mensenrechten sinds juli 1986, Amnesty 

International Nederland, Amsterdam, 1986. Deze bron wordt hier verder aangeduid 

met Amnesty International 

5.Vluchtelingen, opstandelingen en andere Bosnegers van Oost-Suriname, 

1986-1988, T.S. polime, H.U.E. Thoden van Velzen (Instituut voor culturele 

Antropologie Universiteit van Utrecht), Utrecht 1988. Deze bron wordt aangeduid 

met "Polime"

INHOUDSOPGAVE

1. Inleiding

2. Wat vooraf ging 

3. Moiwana: de feiten

4. De nasleep

5. Verzoek om onderzoek en strafvervolging

Inleiding

In elke oorlog vallen slachtoffers onder de burgerbevolking. Onschuldigen die 

niet bij het gevecht betrokken waren. Het is vooral de wijze waarop dat gebeurt 

die ons steeds weer schokt en met afschuw vervult.

Bij internationaal humanitair recht zijn regels afgesproken die burgers moeten 

beschermen. Als onschuldigen bewust geslachtofferd worden moeten zware 

disciplinaire maatregelen worden getroffen. Gebeurt dat niet, dan geven 

regering, justitiële autoriteiten en legerleiding in feite te kennen deze 

handelingen goed te keuren.

In Suriname werd een van de vermoedelijke daders van de slachtpartij onder de 

burgerbevolking van Moiwana met militair vertoon uit het cellenhuis van de 

politie gehaald en onder luid applaus een bijeenkomst georganiseerd op last van 

de bevelhebber, binnengeleid. Bij deze gelegenheid verklaarde bevelhebber 

Bouterse dat de verdachte in opdracht handelde. Openlijk daagde hij de politie 

uit zich bij hem, de bevelhebber, te vervoegen als er klachten waren over de 

gebeurtenissen te Moiwana. Einde verhaal. 

Bij de slachting van Moiwana zijn meer dan 50 mensen vermoord. Onder de 

slachtoffers vielen kinderen, zwangere vrouwen en ouden van dagen. Daarbij niet 

meegerekend een onbekend aantal passagiers van een opgeblazen bus. Videobeelden 

van de plaats van het voorval tonen stukken van lichaamsdelen van slachtoffers 

aan boomtakken.

Moiwana was geen incident. Vluchtelingen zijn getuige geweest van gevallen 

elders, waarbij marrons slachtoffer waren van systematische en grove 

mensenrechtenschendingen: Wanhatti, Sabana, Mungotapu, Morakondre, 

nederzettingen aan de oost-westverbinding en marrondorpen aan de 

Boven-Commewijne.

Het vooral, het grootscheepse karakter ervan en de wijze van executie is echter 

ongekend in de Surinaamse geschiedenis.

Deze publikatie over Moiwana moet het rechtsbewustzijn, de medemenselijkheid en 

het maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel van de Surinaamse bevolking 

helpen ontwikkelen en een bijdrage leveren in de strijd voor bescherming van de 

mensenrechten in Suriname. Uitsluitend registreren van schendingen is daarvoor 

niet genoeg

E. Stanley Rensch

Directeur

Wat vooraf ging

Op 25 februari 1980 mondde een vakbondskonflikt tussen onderofficieren van het 

leger en de regering van Suriname uit in een militaire staatsgreep. Deze werd 

vervolgens tot het begin van een revolutie verheven.

In het groepje onderofficieren kwam Desi Delano Bouterse als leider op; hij 

promoveerde zichzelf tot kolonel. Later zou hij behalve bevelhebber ook 

regeringsleider en 'leider van de revolutie' zijn.

Na augustus 1980 verhardde het regiem. Werd aanvankelijk op zoek naar ideeën die 

als basis voor een beleid moesten dienen nog een ideeënbus geïntroduceerd, later 

wendden de militaire leiders zich daardoor tot regeringen en als die van Cuba, 

Libië en Grenada (van premier Maurice Bishop). Dit had verontrusting onder de 

bevolking tot gevolg en het isolement van Suriname in de regio begon zich af te 

tekenen.

Op 10 maart 1982 werd door Surindre Rambocus een tegencoup gepleegd. Deze 

mislukte na enkele dagen zware strijd doordat een belangrijke medestander op het 

cruciale moment overliep. Rambocus en enkele medestanders werden gevangen 

genomen.

De oppositie tegen het militaire bewind bleef echter groeien. Vooral toen er een 

sterke ondersteuning kwam vanuit de vakcentrale 'De Moederbond' onder leiding 

van Cyrill Daal.

Er werden op 31 oktober 1982 twee belangrijke massameetings gehouden. Een door 

de oppositie op het terrein van 'De Moederbond' aan de Coppenamestraat, de 

andere door de legerleiding in het zogenaamde 'fort Bomika' aan de Kernkampweg. 

Dit mede ter ere van haar gast, de linkse premier van Grenada, Maurice Bischop. 

De gelijktijdige organisatie van de massameetings was op zichzelf een bewust 

gekozen krachtmeeting, omdat men wilde uitmaken wie meer mensen achter zich had: 

de oppositie of de legerleider. De bijeenkomst van de oppositie trok 

aanmerkelijk meer bezoekers. Op deze zeer druk bezochte massameeting voerde o.a. 

Cyrill Daal het woord. Hij leverde openlijk felle kritiek op het ondemokratisch 

karakter van het militair regime. Op de massameeting van bevelhebber Bouterse, 

waar Maurice Bishop bij aanwezig was, sprak hij zelf zijn gehoor toe. Deze 

meeting werd, in ieder geval voor wat de belangstelling van de bevolking 

betreft, een afgang voor de bevelhebber.

November 1982 was een woelige maand. Surindre Rambocus stond o.a. terecht op 

beschuldiging van een poging om het wettig gezag omver te werpen. Tijdens dit 

'Rambocus proces'werd haarscherp uit de doeken gedaan wat er sinds 25 februari 

1980, maar meer nog na 12 augustus 1980 fundamenteel was misgegaan in Suriname. 

Om het met de woorden van Henk Knol, toen lid van de Nederlandse Tweede Kamer, 

te zeggen:"Op bijna onnavolgbare wijze hebben de verdedigers van Rambocus, mr. 

Baboeram, mr. Hoost mr.Riedewald, mr. Düttenhofer en mr. Tjon A Paw en de 

hoofdverdachte zelf, Surindre Rambocus, de vrijheidsdrang en de demokratische 

gezindheid van het Surinaams volk aangetoond".

Toen kwam 8 december 1982: 15 intellektuele voorlieden, waaronder Rambocus, 

diens verdedigers journalisten, de voorzitter van de vakcentrale 'De Moederbond' 

(Cyrill Daal) en andere tegenstanders van het regime, werden op beestachtige 

wijze vermoord. De gebouwen van 'De Moederbond', de radiostations ABC en Radika 

en de drukkerij van 'De Vrije Stem', een dagblad dat het regime wel eens 

bekritiseerde, werden vernietigd door het Nationale Leger. Volgens de officiële 

verklaringen waren deze moorden en verwoestingen noodzakelijke omdat de 

legerleiding een komplot met de CIA had ontdekt. De betrokkenen werden gevangen 

genomen en bij een zogenaamde vluchtpoging neergeschoten.

De ontzetting in het land en daarbuiten was groot. Veel intellektuelen vluchtten 

naar Nederland en de Verenigde Staten, waar verzetsgroepen ontstonden. In 

Suriname zelf verhardde de situatie verder: de noodtoestand werd afgekondigd op 

grond waarvan de avondklok opnieuw werd ingesteld, radio Nederland Wereldomroep 

werd gestoord en de Surinaamse media strenger gecensureerd werden.

Voor de bevolking was het moeilijk om er achter te komen wat er werkelijk 

gebeurde. Men was aangewezen op de 'mofokoranti' (mondkrant) waarvan het 

waarheidsgehalte veelal twijfelachtig is. Er ontstond een klimaat van angst en 

wantrouwen.

In 1985 begon de voortvluchtige ex-lijfwacht van bevelhebber Bouterse, Ronnie 

Brunswijk, met een reeks acties. Hij zou een gewapende verzet tegen het militair 

regime willen beginnen. Er kwamen berichten dat militaire vrachtwagens werden 

overvallen en dat een bankoverval was gepleegd, akties met de kennelijke 

bedoeling om aan geld of wapens te komen.

Tijdens het zoeken naar Brunswijk staken militairen huizen in brand in Mungotapu 

in het distrikt Marowijne. Brunswijk is afkomstig uit dit dorp en familieleden 

van hen wonen daar.

In 1986 ontstond het Jungle Commando onder leiding van Ronnie Brunswijk. Er 

werden kontakten gelegd met het verzet in Nederland dat ondersteuning bood. De 

akties werden voortgezet.

Op 21 juli 1986 overviel het Jungle Commando de militaire posten Albina en 

Stolkertsijver. Twaalf militairen werden meegnomen als krijgsgevangenen. Het 

Nationaal Leger pleegde tegenakties. Bussen en personenauto's werden zwaar 

gecontroleerd, inzittenden gefouilleerd en soms zelfs uitgekleed. Vooral marrons 

stonden bloot aan vernederingen en intimidaties van de zijde van de militairen. 

Zij werden bij voorbaat verdacht. Velen werden zonder vorm van proces 

gearresteerd en gevangen gezet op verdenking van deelname of steun aan het 

Jungle Commando. Dit overkwam vele mannen, vrouwen en kinderen. Zij werden 

vernederd, hun religieuze heiligdommen en hun cultureel erfgoed vernietigd. 

Velen werden op gruwelijke wijze vermoord zoals op 1 augustus 1986 in 

Morakondre.

Naar verluidt werd:

"Een jongetje van drie jaar werd door militairen doodgeschoten terwijl zijn 

moeder hem op de arm droeg. Dit zou zijn gebeurd in Morakondre, een bosnegerdorp 

in oostelijk Suriname.

Op I augustus kwamen rond drie uur 's middags militairen het dorp binnen, 

kennelijk op zoek waren naar aanhangers van Ronnie Brunswijk, leider van het 

Jungle Commando. Volgens schriftelijke verslagen schoten de militairen het kind 

dood om de dorpsbewoners schrik aan te jagen en zo informatie los te krijgen 

over de verblijfplaats van Brunswijks volgelingen.

Een vrouw uit Morakondre die nu als vluchteling in St. Laurent uudu Maroni 

verblijft, heeft tegenover afgevaardigden van Amnesty International verklaard 

dat zij getuige is geweest van het doodschieten van het kind. Ze zag dat de 

moeder met het kind in de armen stond toen de militairen op het kind schoten.

De andere vrouwen renden weg. Zij heeft ook verklaard dat militairen op dezelfde 

dag een aantal mensen in het dorp hebben gearresteerd. Zij zei dat er na dit 

voorval vaak helikopters naar het dorp kwamen en dat uit die helikopters in het 

wilde weg werd geschoten, maar dat daarbij niemand gedood was. De meeste 

dorpsbewoners verlieten hun huis in Morakondre en zijn gevlucht. Zij was zelf in 

december 1986 vertrokken.

De officiële lezing van dit voorval was dat het kind was gedood in een 

vuurgevecht tussen het leger en de troepen van Brunswijk. Verscheidene personen 

hebben echter verklaard dat Brunswijk en zijn volgelingen zich die dag niet in 

Morakondre bevonden en dat niemand anders de militairen had 

aangevallen."(Amnesty International pag.7)

"Over de gebeurtenissen op vrijdag 21 november 1986 in Moiwana vertelde 'N' mij 

het volgende verhaal:

Zij ging samen met Elizabeth, die 8 dagen later - op zaterdag 29 november - door 

militairen vermoord zou worden, naar het kostgrondje. Bij terugkomst hoorden ze 

een vliegtuig. Ze vroegen de 'busiman' (Jungle Commando's) die zich in de 

omgeving ophielden of dit misschien een toestel van Bouterse was. De jungles 

stelden hen gerust; het leek hen een Frans vliegtuig dat in St. Laurent was 

opgestegen. Nadat ze nog even gepraat hadden, namen ze afscheid van de Jungles 

om weer naar huis te gaan. Ineens zagen ze een militair voertuig aankomen. Ze 

schreeuwden: "daar komen de militairen aan". Ze renden onmiddellijk het bos in 

en gooiden zich op de grond. Elizabeth wilde gillen van de schrik maar 'N' legde 

haar het zwijgen op: "hou je mond, als de militairen ons horen schieten ze op 

ons". Prompt begonnen de militairen te schieten; de twee vrouwen werden doof van 

het lawaai. De militairen bleven schieten tot ze niets meer zagen bewegen.Toen 

stapten ze uit om rond te kijken. Een van hen riep:"Wi no si suma, soso dagu, 

kon wi gwe!" (Er is niemand te zien, alleen maar honden, laten we weggaan). De

militairen stapten weer in hun wagen en reden weg. 'N' viel bijna flauw van 

schrik. Ze liepen naar het kamp terug. De Jungles gaven hen te eten. Voor 'N' 

was toen het moment gekomen om te vluchten. Twee dagen later liep ze naar 

Mungotapu; van daaruit werd ze naar Tu Kopi gebracht,"(Polimé, pag 42)

Door dit soort gebeurtenissen verslechterden de verhoudingen tussen het 

Nationaal Leger en de marrons. Verzoeningspogingen die uitgingen van het 

groot-opperhoofd der Aucaners, granman Matodja Gazon, verzandden. Leden van zijn 

stam, ook wel N'djuka's genoemd verleenden hem daarin kennelijk onvoldoende 

steun. Zij haalden Brunswijk als een held binnen. Hij nam Stoelmanseiland in 

bezit en richtte daar zijn hoofdkwartier in.

In Diitabiki werd op 2 september 1986 een bijeenkomst gehouden van de vijf 

marronstammen. Behalve granman Oscar Lafanti van de Matawai betuigden de 

vertegenwoordigers van de verschillende stammen hun steun aan e strijd van 

Ronnie Brunswijk. Granman Lafanti was een aanhanger van het militaire regime en 

van legerleider Bouterse.

De relatie tussen de marrons en de indianen die soms in een en hetzelfde dorp 

woonden, kwam onder druk te staan. Zo zou een groep Brunswijkers het dorp 

Bigiston zijn binnengevallen en de indiaanse bewoners van hun wapens beroofd. De 

indiaanse kapitein zou uit irritatie en frustratie hebben uitgeroepen:"Als nog 

één bosneger mijn dorp durft naderen, schiet in hem dood".

Een oom van Brunswijk zou hierop later hebben gereageerd met de woorden:

"Als hij dat doet schieten we iedere indiaan die we tegenkomen dood".

MOIWANA 29 NOVEMBER 1986,

DE FEITEN...

Het gebeurde in die dagen dat bevelhebber Bouterse bewoners van het 

oorlogsgebied opdracht gaf binnen 24 uur hun dorpen en nederzettingen te 

verlaten.

Er was nauwelijks transport en opvang elders; waar men heen moest werd niet 

gezegd. Sommigen, voornamelijk vrouwen, bejaarde mannen en kinderen vertrokken 

met het weinige dat zij konden dragen in de richting van Paramaribo. Anderen 

namen de wijk naar Frans-Guyana. Jonge mannen, ook zij die niet deelnamen aan de 

strijd van het Jungle Commando, verkeerden in levensgevaar als zij gezien werden 

door militairen of leden van de 'veiligheidsdiensten' van het Nationaal Leger.

Maar een aantal bewoners van Moiwana, Sabana en andere dorpen in het noordoosten 

van Suriname bleven. Enkelen van hen waren later vanuit hun vluchtelingenkampen 

buiten Suriname in staat om getuigenis af te leggen aan journalisten, 

onderzoekers en vertegenwoordigers van verschillende mensenrechtenorganisaties 

zoals:

-De Inter-Amerikaanse Commissie voor de Rechten van de Mens, 

-De mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties, 

-Amnesty International, 

-Het United States Committee on Refugees, 

-International Alert., 

-Moiwana'86 Mensenrechtenorgansatie Suriname.

Zij verhaalden van de gruweldaden van het Nationaal Leger, en zo is de 

wereldgemeenschap nu in staat zich een beeld te vormen van de ware aard van de 

leiding hiervan, die tot op de dag van vandaag een grote greep heeft op de 

politieke, economische en maatschappelijke verhoudingen in Suriname.

Omstreeks 13.00 uur en wat daarna gebeurde Moiwana leek niet veel op een dorp. Het besloeg een uitgestrekt gebied aan weerszijden van de Oost-westverbinding.

In de herinnering van een overlevende was het een rustige dag als vele andere. 

Een oude man in zijn hangmat. Enkele kinderen die in de middaghitte onder een 

boom zitten te spelen. Een kleintje huilt. Vrouwen die in de schaduw elkaars 

haar vlechten. De oude man roept iets naar een jonge vrouw. Lachend roept zij 

wat terug en gaat de kleine halen...

De 'zuiveringsaktie' te Moiwana was grondig voorbereid. Er zou aan de militaire 

leiding zijn gerapporteerd dat Brunswijk en zijn mannen zich daar ophielden. 

Ongeveer 35 indianen die met het noordoostelijk deel van Suriname bekend waren 

werden speciaal gerekruteerd en opgeleid in Bosbivak (de Ayoko-kazerne) in het 

distrikt Para. Sommigen van hen kenden bewoners van Moiwana en de omgeving 

persoonlijk.

In totaal bestond de eenheid uit ongeveer 70 man. Er werd opgetrokken vanuit het 

nabijgelegen indianendorp Alfonsdorp en onderweg gesplitst in drie kleinere 

groepen.

De eerste groep bereikte na een omtrekkende beweging Negerkreek waar zij met de 

'zuiveringsakties' zou beginnen. Twee jonge mannen werden ter plaatse 

doodgeschoten. Volgens de militairen hadden zij een tas met dynamiet bij zich.

De tweede groep sloot een eventuele vluchtweg af door zich op de brug over de 

Moiwanakreek te posteren.

De derde groep trok het dorp binnen. Daar werd eerst het huis van een oom van 

Ronnie Brunswijk in brand gestoken. Hij was niet thuis, maar zes vrouwen en vier 

tieners moesten machteloos toekijken. Over de weg naderde een bus. Een vrouw 

riep, in de hoop op steun van de kant van het Jungle Commando: "Mek den sma 

kon!" (laat die mensen komen). Een van de aanvallers vroeg wat zij bedoelde, 

want ook zij hielden rekening met de mogelijke komst van Jungle Commando's. "Den 

o puru kaka gi unu" (zij zullen jullie mores leren). Als reaktie daarop werden 

de vrouwen en de kinderen die erbij stonden doodgeschoten.

Bij de brug over de Moiwanakreek stuitte de bus op de andere groep. Een paar 

schoten, een knal, een vuurstoot, brand. Niets bleef over van de bus, noch van 

de mensen die er in zaten.

De derde groep trok verder door het dorp in de richting van de brug over de 

Moiwanakreek, onderweg dood en verderf zaaiend. Er werden handgranaten gegooid 

of geschoten in hutten, zonder dat er gekeken werd of er mensen in waren. De 

hutten zijn van hout, met een dak van pinabladeren; er is weinig voor nodig om 

dat in brand te steken. In een huis kwam een nog niet ontplofte handgranaat 

terecht. De bewoner slaagde er nog net in om hem weer naar buiten te gooien, 

waar hij ontplofte en een militair verwondde. De vrouw die in het huis zat werd 

alsnog doodgeschoten. Een andere vrouw kwam net uit het bos met haar drie 

kinderen. Zij moest vertellen waar Brunswijk en zijn mannen waren. Om hun 

woorden kracht bij te zetten werden de geweren dreigend op haar zoontjes, 

kleuters nog, gericht. Haar mededeling, dat Brunswijk wel op Mungotapu zou zijn 

heeft haar leven en die van haar zoontjes niet kunnen redden.

Uiteindelijk werd iedereen die in handen van de militairen viel gedood. Gewapend 

of niet, man of vrouw, zwanger of niet, ja zelfs baby's.

Hoe ooggetuigen het beleefd en doorverteld hebben

Een jongen, die Moiwana overleefde

(Polimé, pag. 43)

De indianen hadden ons al gewaarschuwd dat de militairen zouden komen en dat we 

er beter aan deden uit het gebied weg te gaan. Maar wij geloofden het niet. Er 

waren geen mensen van ons die bij de Jungles hoorden en we hadden de militairen 

nooit iets gedaan. Mijn moeder was aan het koken en ik lag in een hangmat.

Ineens hoorden we dat er buiten geschoten werd. De mensen die buiten het huis 

zaten, renden naar binnen. De militairen waren gekomen, zoals we later zagen. In 

het huis werden een jongen en een meisje geraakt; zij zijn later overleden. Wij 

konden niet meer naar het bos vluchten, omdat de militairen het kamp omsingeld 

hadden.

Een van de militairen trok de deur open en gooide een handgranaat naar binnen. 

Ik ving het op en gooide hem weer naar buiten. Daarna riepen de militairen ons 

dat we naar buiten moesten komen. Ze zouden niet meer schieten. De man sprak in 

het Surinaams. Terwijl wij nog in het huis zaten, werd mijn grootvader Divion 

geslagen. Later hebben ze hem gedood.

Er waren twee groepen militairen aan het werk. Een groep schoot op de huizen en 

de mensen. De tweede groep stak de huizen in brand. Elke groep telde ongeveer 

100 man.

Een creoolse militair zei dat we het bos in moesten vluchten, dan zouden ze niet 

meer op ons schieten. Maar terwijl wij wegrenden, werd r tocht op ons geschoten. 

Gelukkig zijn uit die groep niet veel mensen geraakt. Een vrouw die terugging om 

haar man te zoeken, werd doodgeschoten. Een tante van mij is in haar been 

geraakt. Een jongen werd aan zijn arm geraakt terwijl wij wegrenden.

'L' over haar vlucht uit Moiwana

(Polimé, pagina 46)

'L' is de enige overlevende van een groep vrouwen uit Moiwana. Ze waren bezig 

elkaar te helpen bij het vlechten van hun haar. Het was zaterdag 29 november 

1986. Op Adjumakondre zou een rouwopheffingsfeest (bookode)gehouden worden. Al 

een paar dagen eerder hadden ze een waarschuwing gekregen van een indiaan dat al 

de militairen via de Wanekreek naar Moiwana zouden komen om of de Jungles of de 

bevolking aan te vallen. Ze hechten er niet allemaal geloof aan. Twee mannen die 

daar woonden, besloten het bericht wel ernstig te nemen. Zij vetrokken naar 

Morakondre aan de Marowijne.

Terwijl de vrouwen onder een boom nog bezig waren met het vlechtenvan hun haar, 

hoorden zij ineens, wat verder op de weg, een explosie. 'L' vroeg aan de andere 

vrouwen of dat niet de militairen van Bouterse konden zijn. Niemand besteedde 

aandacht aan haar vraag: er werd zo vaak geschoten en Jungles hadden al vaak 

bruggen met dynamiet opgeblazen. Kort daarna hoorden de vrouwen dichtbij 

schieten. Toen schrokken ze allemaal. Ze vluchten het bos in naar Agwe, een man 

die daar met zijn gezin woonde.

'L' en Agwe besloten om de andere mensen in het gebied te waarschuwen; de 

vrouwen beloofden dat zij in het bos zouden wachten tot ze weer terug waren. 

Toen Agwe en 'L' terugkwamen, bleken de vrouwen verdwenen te zijn. Later 

ontdekten ze dat de militairen hen hadden opgepakt en naar een andere kant van 

de weg gebracht. Vanuit de bosrand zag 'L' dat enkele vrouwen op hun buik wezen. 

'L' wist dat zij zwanger waren. Een aantal vrouwen ging hurkend op de knieën 

zitten, waarbij zij in de handen klapten dit betekende dat ze de militairen 

smeekten hen niet te doden. De militairen zich hier niets van aan. Ze schoten op 

de vrouwen. Andere staken de vrouwen waar ze maar konden. Ze hoorde het gegil 

van de vrouwen en de kinderen.

Het schieten in de buurt van de militairen ging nog lang door. Pas de volgende 

ochtend werd het stil. Ze kropen toen verder het bos in. Drie dagen lang hebben 

ze gelopen tot ze bij Morakondre aan de Marowijne kwamen. Onderweg aten ze het 

hart van de pina palm en de vruchten van die boom.

De kindren gilden van de honger. 'L' had moeite met het lopen, omdat zij zich 

tijdens de vlucht verwond had. De groep werd door twee mannen gevonden die 

enkele dagen eerder uit Moiwana gevlucht waren. Ze hadden van de schietpartij 

gehoord en waren op verkenning uitgegaan. Ze brachten de groep vluchtelingen, 

waartoe 'L' ook behoorde, naar Mariakondre.

Vierentwintig-jarige vrouw

(Amnesty International, pagina 8)

Deze vrouw woonde in Moiwana en was daar met haar familie aanwezig toen de 

militairen kwamen. Ze namen haar vader mee en doodden hem. Hij was basja in het 

dorp. Haat tante die zeven maanden zwanger was, werd neergeschoten. Ze verborg 

zich in het huis om haar twee kinderen te redden. Deze twee kinderen waren 

respectievelijk twee en drie jaar oud. Toen de militairen het huis binnenkwamen, 

begon ze zich te verzetten en pakte ze een van de militairen bij zijn hemd 

terwijl ze hem smeekte om haar en haar kinderen niet te doden. Ze had haar baby 

in haar armen. De soldaat schoot en raakte haar in de linkervoet. De 

afgevaardigden van Amnesty International konden zien dat ze op haar linkervoet 

duidelijk litteken had, op de plaats waar het schot haar volgens haar 

verklaringen geraakt zou hebben.

Acht leden van haar familie werden bij dit incident gedood en zij schatte dat er 

daarnaast nog twintig tot dertig mensen waren omgekomen.

Zij was ook getuige van de moord op een zeven maanden oude baby. De moeder droeg 

het kind in de armen toen een soldaat een geweer in de mond van het kind stak en 

het doodschoot.

Vijfentwintig-jarige man

(Amnesty International, pagina 8)

Deze man verklaarde dat op zaterdag 29 november soldaten naar het dorp toe 

kwamen. Hij was binnen toen ze op zijn huis begonnen te schieten. Hij nam zijn 

twee kinderen (een baby en een kind van twee of drie jaar) en verschool zich 

onder het bed. Zijn vrouw kon niet snel genoeg dekking zoeken en werd geraakt. 

Zij viel op de grond, vlakbij de plek waar hij zich verschool, maar hij durfde 

niet onder het bed vandaan te komen, omdat hij bang was dat de soldaten hem 

zouden zien en hem ook zouden neerschieten. Zijn vrouw overleed ongeveer een uur 

later. Hij wikkelde haar in een deken, verliet samen met de kinderen het huis en 

verschool zich in het bos.

Drieënveertig - jarige vrouw

(Amnesty International, pagina 8)

Nora was in haar huis toen de schietpartij begon. Met haar baby in haar armen 

deed zij de deur open en zij zei tegen de soldaten dat zij niet op de baby 

moesten schieten. Zij smeekte om haar kinderen niet te doden. De soldaten 

gooiden een granaat die vlakbij haar neerkwam. De jongen pakte de granaat op en 

gooide hem terug naar de soldaten. De granaat ontplofte, waardoor een van de 

soldaten gewond raakte. Als repressaillemaatregel schoten de soldaten een andere 

jongen neer (niet de jongen die de granaat had teruggegooid en ook niet een van 

haar zoons). Ze vluchtte het bos in en ging met een groep van ongeveer 150 

mensen naar St.Laurant.

Zestig-jarig man

(Amnesty International, pagina 9)

Deze man was in zijn huis toen militairen de deur open deden en tegen hem en 

zijn vrouw zeiden dat ze moesten maken dat ze weg kwamen. Ze begonnen te rennen 

maar zijn vrouw werd in haar been geschoten. Zij probeerde zich kruipend in 

veiligheid te brengen en slaagde erin een paar meter vooruit te komen, maar werd 

toen door een militair in het hoofd geschoten en gedood. De militairen bleven op 

de man te schieten, maar hij erin te ontsnappen. Tien personen werden in en rond 

zijn huis gedood. Hij verklaarde dat na de moorden huizen in brand waren 

gestoken waarin zich nog lijken bevonden, maar hij kon niet zeggen om hoeveel 

lijken het ging.

Vrouwelijk getuige

(Amnesty International, pagina 9)

Een vrouw die niet wilde dat haar naam zou worden genoemd, verklaarde dat zij 

getuige was geweest van de moord op Misidjan Divion, een basja in Moiwana. 

Volgens haar verklaring had hij ruzie gemaakt met de militairen toen zij hem 

bevel hadden gegeven zijn huis uit te komen. Hij had gezegd dat het zijn huis 

was en weigerde hun bevelen op te volgen. Daarop schoten de militairen hem neer, 

maar hij was niet direct dood. Uiteindelijk doodden ze hem met kapmessen.

Oudere vrouw

(Amnesty International, pagina 9)

Deze oudere vrouw, die geen andere bezittingen meer had dan de jurk die zij 

droeg, is de moeder en grootmoeder van zestien van de mensen die in Moiwana 

gedood zijn. Toen de militairen naar het dorp kwamen, werkte zij op het land met 

een aantal van haar kleinkinderen - een omstandigheid waaraan zij hun leven te 

danken hebben. Ze ging terug naar het dorp toen de militairen weg waren en vond 

daar de lijken van haar familieleden. Ze gaf de afgevaardigden van Amnesty 

International een lijst van hun namen. Zij moesten zich met acht kinderen tussen 

twee en zestien jaar oud twee nachten schuil houden in het bos voordat zij 

konden oversteken naar Frans-Guyana.

Andere bronnen

(Amnestie International, pagina 9)

Volgens bepaalde bronnen in Frans-Guyana werden tien van de slachtoffers, vijf 

vrouwen en vijf mannen, in een rij opgesteld door de militairen en vervolgens 

doodgeschoten. Amnesty International heeft ook uit andere bronnen waaronder de 

pers en verklaringen van Surinaamse vluchtelingen in Nederland, berichten 

ontvangen over dit voorval.

Arts na volkerenmoord Suriname

Over de 32-jarige Parijse arts, Michel Bonnot, die in de buur van de 

slachtpartij was, gaf een franse krant het volgende door:

Het is negen uur in de avond en donker als hij met een verwilderde blik het 

guerrillakamp Langatabiki binnenwankelt. Hij heeft alleen nog een onderbroek 

aan. Zijn van bloed doorweekte broek heeft hij ergens in de jungle 

achtergelaten. De arts heeft twee zwaargewonden bij zich, met wie hij twee dagen 

door de jungle heeft gereisd. Het zijn overlevenden van de slachtpartij bij 

Sabana: een oudere vrouw van wie hij onderweg in de jungle nog een been heeft 

moeten amputeren en een 12-jarig jongetje, John Delano, die op de vlucht in een 

been werd geschoten. De enkel van een deel van het been zijn verbrijzeld. "Dat 

ziet er heel slecht uit", zegt de arts somber. De arts is uitgehongerd, hij twee 

dagen niet gegeten en is een instorting nabij. Hij stuurt ons naar Johnny met 

het argument: "Dit moet de hele wereld weten". Johnny is bij kennis. De 

Guerrilla's van Ronnie Brunswijks Jungle Commando dromen om hem heen.

Het verhaal van Johnny is onbeschrijfelijk, 's Avonds om 10 uur kwamen de 

soldaten, schietend in het wilde weg, zijn dorp binnen."Onze mensen schreeuwden 

en gingen op de grond liggen. Sommigen werden geraakt. De mannen van Bouterse 

stopten met schieten en kwamen kijken hoeveel er dood waren. Veel soldaten kon 

ik niet verstaan, ze spraken een taal die ik nooit heb gehoord. De soldaten 

laadden opnieuw hun geweren en begonnen weer op ons te schieten. Mijn vader en

mijn moeder werden gedood, vlakbij mij.

Sommigen van ons waren gewond en renden weg". Leden van de Jungle Commando van 

Brunswijk vonden de jongen vele uren na het drama in het bos. Het verhaal van de 

gewonde vrouw, van wie een been moest worden afgezet, is zo mogelijk nog 

verschrikkelijker. Ze had een shock en praatte niet meer. Volgens een lid van 

het Commando hebben de moordenaars een aantal plaatsen op de weg van Mungotapu 

naar Albina op deze wijze beschoten.

Bonnot zei dat zich voor het drama geen treffen had afgespeeld. Hij zei dat 

'smiddags om twee uur een helikopter was geland, waaruit een aantal soldaten was 

gekomen. Een kenner van het Jungle Commando had gezien dat de soldaten zwaar 

bewapend waren. De linies van het Jungle Commando, die Albina omsingeld houden, 

liggen zes tot zeven kilometer verderop. Toen de hel 's avonds losbarstte, 

gebeurde dat niet ver van de plaats waar de helikopter was geland en nog heel 

ver van de dichtstbijzijnde post van het Jungle Commando. "Het was doelbewuste

volkerenmoord" aldus de arts.

Franse arts Michel Bonnot biedt hulp in Oost-Suriname

"Er gebeuren hier onbeschrijfelijke dingen". Soldaten van het Surinaams leger,

zeer waarschijnlijk gesteund door een aantal Libiërs, hebben een slachting 

aangericht onder de bewoners van het marrondorpje Sabana vlak bij Albina in het 

opstandige Oost-Suriname. Er zijn tenminste achttien dorpelingen vermoord, 

vrijwel allen vrouwen en kinderen. Onder de doden bevinden zich slechts twee 

mannen.

De 82-jarige granman Forster, opperhoofd van de marrons in dit gebied, deed 

gisteren een emotioneel beroep op de wereld om zijn volk te hulp te komen. In 

een gesprek met de verslaggever van deze krant, zei hij: "Ik weet niet hoe ik 

een organisatie als de Verenigde Naties en de rest van de wereld moet benaderen, 

maar er moet hulp komen, andere wordt mijn hele volk uitgemoord."

De Franse arts Michel Bonnot, in dienst van de hulporganisatie Aide Medicale 

International, bevond zich in het weekeinde op enkele kilometers afstand, toen 

de moordpartij begon. Hij beschreef gisteren wat hij aantrof: "Ik vond een baby 

van zes maanden, van dichtbij door het hoofd geschoten. Een andere baby was 

overgegoten met benzine en verbrand, ik kan niet zeggen hoe oud het kind was. Ik 

zag twee dode meisjes van circa tien jaar en daar vlakbij twee jongetjes van 

vijf en zes jaar, die elkaar nog omarmd hielden. Een van de jongetjes had een 

pop in zijn hand".

Tijdens de moordpartij waren volgens de arts geen leden van het Jungle Commando 

van Brunswijk in de buurt. Hij is ervan overtuigd dat het om een doelbewuste 

volkerenmoord gaat. "Ik heb gewerkt inLibanon, in Laos, in Koerdistan en in 

Ethiopië, maar niet zoiets als dit heb ik nog niet gezien. Het is als My Lai in 

Vietnam".

De enkele - meest zwaargewonde - overlevenden van het drama hebben, dat zij niet 

zo zeer door Surinaamse soldaten zijn beschoten, maar door "enigszins op 

hindoestanen lijkende mensen in afwijkende kledij, met zwartgemaakte gezichten 

en armen en die een taal spraken die zij niet konden verstaan". De arts is ervan 

overtuigd dat deze Libiërs waren. Volgens dokter Bonnot moet er dringend 

medische hulp komen voor de mensen in Oost-Suriname. "Er gebeuren hier 

onbeschrijfelijke dingen. Het zal hier in de komende dagen nog veel erger 

worden", voorspelt hij.

Uit andere publikaties

Fragmenten uit "Oorlog aan de Marowijne".

...Een jongen peddelt in zijn bootje tussen enkele lianen door. Een 

oerwoud-idylly. Achter me, in het basiskamp van Ronnie Brunswijk, ligt nog een 

jongetje. Vannacht zag in hem. Johnny Delano, twaalf jaar. Zijn ouders zijn 

zojuist vermoord, zijn voet kapot geschoten, zijn buik krimpend van de misdaden 

die soldaten jongetjes aandoen. Hij keek me aan met ogen vol ontzetting, 

stamelde een paar woorden, zweeg toen en iedereen en het ziekenzaaltje zweeg en 

schreeuwde het inwendig uit.

Urenlang varen we over de rivier en glijdt het oerwoud, superieur en in zichzelf 

gekeerd, voorbij aan de korjaal. Impressies dringen om voorrang: de radeloosheid 

van granman Forster, de ontmoeting met Brunswijk, het "j'accuse" van de 

tropenarts, de wilde esthetiek van de jungle, smerigheid van de oorlog, Johnny. 

...

... Er is rumoer op straat. Ziekenwagens en politieauto's snellen voorbij. Een 

passant roept dat er aan de rand van het stadje honderden Surinaamse 

vluchtelingen binnenstromen. Een paar kilometers verderop speelt zich en drama 

af. Tussen houten hutten en paalwoninkjes drommen inderdaad honderden marrons 

bijeen, die in paniek de grensrivier zij overgestoken. Na de slachtpartij die 

het Surinaamse leger enkele dagen geleden aanrichtte in o.a. het gehucht Sabana, 

sloegen de marrons uit het Marowijnegebied massaal op de vlucht. Na een mars van 

drie dagen en nachten door het oerwoud bereikten zij de lucht waren beschoten. 

Eén dode, diverse gewonden, hoor ik in het huttendorp. En aan de overkant 

wachten nog honderden Surinamers op een gelegenheid over te steken. Ik kijk om 

me heen. Een huilend kind; een oude man, door verdriet overmand - maar geen 

massale paniek, geen gezichten vol verhalen. Een wezenloze stemming.

Glenn, een Surinaamse student, vertelt op vlakke toon over het bloedbad waarvan 

hij getuige was. Over hoe een vrouw de schietende militairen vroeg haar leven te 

sparen omdat zij zwanger was, waarop ze door haar buik werd geschoten. Over hoe 

een soldaat riep dat alle marrons eraan zouden gaan. "Voordat er hulp komt, zijn 

jullie allemaal al dood". ...

De arts vervolgt:

In een verlate huisje hielp hij de twintig gewonden. Kogels moesten verwijderd, 

wonden gehecht, stukgeschoten benen in noodgips gezet. Het onderbeen van een 

vrouw was niet te redden. In een garage leende Bonnot een zaag voor de 

amputatie. Intussen vertelden gewonden hem wat er was voorgevallen. Johnny

Delano was en van hen. Het relaas dat Johnny aan Brunswijk deed, nam de arts op 

een bandje op. We luisteren er verslagen naar. "... en toen hebben ze hun magazijn 

opnieuw geladen en mijn vader en moeder doodgeschoten." "... en nadat ik de 

handgranaat had teruggegooid, rende ik het bos in en van daaruit zag ik nog dat 

ze negen mensen doodschoten".

We zwijgen. Niemand weet nog woorden te vinden. Na een tijdje zoeken we Johnny 

op. Zijn voet is door een schot verbrijzeld. Morfine heeft de pijn plaatselijk 

verdreven, maar de krampen in zijn buik, de krampen van zijn ellende houden aan. 

Haperend komen er enkele zinnen over die zaterdagavond in Sabana die zijn leven 

heeft verwoest. Dan stokken die woorden en kijkt hij ons aan. En niemand in het 

ziekenzaaltje zal de ogen van Johnny Delano ooit kunnen vergeten...

...Er ligt een Libiër in het ziekenhuis van St Laurent! Dan dwaalt er een groepje 

Surinamers met de Nederlandse pers door het ziekenhuis om uit te komen bij een 

man die nog het meest op een indiaan lijkt en verdwaasd en sprakeloos door een 

shock voor zich uit ligt te staren.

Uit "Blijf even staan":

"...kwam een kleine truck Mungotapu binnenrijden. In de achterbak lagen lijken van 

vrouwen en kinderen opgestapeld, doorzeefd met kogels."

"...Militairen van Bouterse zouden neergeschoten marrons in brandende huizen 

hebben gegooid om te voorkomen dat hun lijken zouden worden gevonden."...

Uit getuigenverklaringen is naar voren gekomen, dat de trucks met lijken uit 

Moiwana richting Mungo reden. De trucks met slachtoffers werden achtergelaten

bij de Curmotibomijn, waarna arbeiders van Suralco de trucks naar het lijkenhuis 

te Mungo brachten. Deze lijken bleven daar tot 3 december 1986. Familieleden 

verzochten verschillende keren met klem de lijken uit Moiwana aan hen over te 

dragen opdat voor een passende begrafenis kon worden gezorgd.

Op 3 december 1986 verscheen het bericht in de Surinaamse dagbladen, dat 

terroristen het lijkenhuisje te Mungo in brand hadden gestoken.

Zo stierven vele slachtoffers een tweede dood.

De nasleep

De nacht viel over Moiwana. De meeste mannen overleefden, omdat zij vooraf waren 

gevlucht. Een aantal vrouwen en kinderen waren nog in het dorp en brachten de 

nacht door bij de doden. Pas de volgende dag kwamen de mannen van Brunswijk die 

de lijken in vrachtwagens wegbrachten en de overlevenden meenamen.

In hun gezelschap waren ook leden van de 'Bevrijdingsraad' uit Nederland. Zij 

waren naar Mungotapu gekomen voor een vergadering met het Jungle Commando. 

Oud-president Henk Chin A Sen, voorzitter van de Bevrijdingsraad, was diep 

geschokt.

Nederlandse journalisten waren voor dezelfde gelegenheid aanwezig. Zij maakten 

schokkende reportages. Terwijl men in Suriname van nieuws verstoken bleef, kon 

Nederland in het actualiteitenprogramma 'Brandount' de verbijsterende taferelen 

uit Moiwana op televisie zien!

In het Algemeen Dagblad van 5 december 1986 verscheen een artikel, voorzien van 

een foto van de pick-up met lijken, onder de kop: "BOUTERSE PLEEGT REGELRECHTE

VOLKERENMOORD".

Er werd in diverse berichten verondersteld dat er Libiërs onder de moordenaars 

waren. Dit misverstand ontstond doordat overlevenden aan journalisten 

verwarrende beschrijvingen gaven van de moordenaars. Men kon zich maar moeilijk 

voorstellen dat Surinamers tot zulke gruweldaden in staat waren. 

In Nederland, zeker bij de daar woonachtige Surinamers, lag de naam Moiwana op 

ieders lip en er viel een schaduw over het sinterklaasfeest. In Suriname was de 

bevolking niet of nauwelijks op de hoogte van de verschrikkingen die zich daar 

hadden afgespeeld. Op 1 december werd door de Nationale Assemblee het door de 

regering opgestelde decreet goedgekeurd waarin de noodtoestand voor een deel van 

het Surinaamse grondgebied werd afgekondigd. In het ochtendblad 'De Ware Tijd' 

en het avondblad 'De West' verscheen een verslag van deze vergadering op 2 

december 1986, maar hierin werd met geen woord gerept over de gebeurtenissen in 

Moiwana. De verschillende sprekers tijdens deze Assemblee vergadering spraken 

slechts over de akties van het Jungle Commando en kozen daarmee duidelijk 

partij.

Mr. Ronald van Ritter (voorzitter van de commissie van rapporteurs van de 

Assemblee) zei tijdens de debatten (en hier citeren we verder 'De West'):..

"dat hij met leedwezen moest konstateren dat nog geen jaar na de afschaffing van 

de noodtoestand, die vanaf de februaricoup had gegolden, het nodig is om weer 

een dergelijke situatie in te voeren. Dit vanwege het feit dat er mensen zijn 

die onheil brengen over het land. Arbeidsplaatsen gaan verloren, mensen moeten 

hun woongebieden verlaten en elders een veilig heenkomen zoeken met achterlating 

van have en goed. Dit alles wordt veel ernstiger gezien de zwakke economische 

staat van de Republiek. De voorzitter van de commissie van rapporteurs zei dat 

wij onze ogen niet moeten sluiten voor de realiteit. Er zijn mensen die de 

toestanden in het oosten des lands toejuichen. Hij was de mening toegedaan dat 

het land tot een woestenij wordt gemaakt. Hij weigerde te geloven dat de mensen 

die het leed veroorzaken feestelijk zullen worden binnengehaald als nieuwe 

leiders. Het is hoog tijd stappen te ondernemen"...

Ook de rapporteur Breeveld sprak woorden van gelijke strekking. Het Assembleelid 

Ketwaru pleitte voor een militaire oplossing van de problemen in het oosten van 

het land:..."Wij kunnen niemand accepteren die ons heiligdom komt 

destabiliseren"... Op de uitspraak van het lid Soeltaansingh , "dat de 

noodtoestand geen vrijbrief moet zijn voor de militairen om maar hun gang te 

gaan" reageerde de vergadering heftig. De minister president Pertab Radhakishun 

vond 'dat het nimmer zo kan zijn dat een Assembleelid het Militair Gezag op een 

dergelijke wijze bejegent".

Tot slot van de vergadering hield Radhakishun nog een korte rede waarin hij 

onder andere zei: ik kan u zeggen dat het een enorme ramp betekent voor 

Suriname. Degene die een dergelijke misdaad tegen zijn volk begaat, moet